S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

franÁais

Feiten en cijfers

 

  Hoeveel daklozen zijn er in BelgiŽ?

Laatste aanpassing: 04/07/2017

In BelgiŽ bestaan geen officiŽle cijfers
van het aantal daklozen, enkel schattingen van organisaties.

 
Toelichting:

In de EU Survey on Income and Living Conditions (EU-SILC) -wellicht het belangrijkste instrument om op nationaal en Europees niveau armoede en sociale uitsluiting te meten- worden daklozen niet bevraagd. Om die leemte op te vullen, werd in 2010 een enquÍte over inkomens en leefomstandigheden van dak- en thuislozen en mensen in onwettig verblijf georganiseerd om te onderzoeken of het in de toekomst mogelijk zou zijn om deze groepen op te nemen in de enquÍtes over armoede (onderzoek uitgevoerd door het HIVA (KU Leuven), in opdracht van en in samenwerking met het Steunpunt).

In 2003 schatte FEANTSA het aantal dak- en thuislozen in BelgiŽ op 17.000. Dit cijfer moet echter met de nodige omzichtigheid gehanteerd worden aangezien er in BelgiŽ (net zoals in de rest van Europa) geen enkele officiŽle telling van het aantal daklozen bestaat. Eťn van de belangrijkste problemen in dit verband is het feit dat dakloosheid verschillende verschijningsvormen kent en moeilijk kan gedefinieerd worden. Bovendien is het moeilijk de daklozen te bereiken. Dit heeft tot gevolg dat de beschikbare cijfers ofwel schattingen zijn, ofwel enkel betrekking hebben op het aantal bereikte daklozen via de opvang. Alhoewel men hierdoor een eerste beeld van de groep van daklozen krijgt, moet men zich er steeds van bewust zijn dat het werkelijke aantal daklozen hoger ligt, aangezien de daklozen die niet door de opvangvoorzieningen worden bereikt, niet meegeteld worden.
De schatting van 17.000 daklozen blijft ook nog in meer recentere publicaties circuleren. (zie ondermeer POD maatschappelijke Integratie (2012), Focus nr. 2, Strijd tegen dak-en thuisloosheid).

Het MEHOBEL-onderzoek (15/12/2015 - 15/03/2018) in opdracht van de Programmatorische Overheidsdienst Wetenschapsbeleid (Belspo) zal een methodologie ontwikkelen om dakloosheid in BelgiŽ te meten en te monitoren.

In BelgiŽ is het dakloosheidsbeleid sterk regionaal uitgebouwd. Cijfers over het aantal daklozen zijn dan ook op regionaal niveau te vinden.

In WalloniŽ kreeg het Institut wallon de l'ťvaluation de la prospective et de la statistique (IWEPS) opdracht om samen met de 'Relais sociaux' (sociale contactpunten die de dienstverlening aan personen in grote armoede coŲrdineren) de dakloosheid te meten. Een eerste geharmoniseerde data-inzameling bij de partners van de 'Relais sociaux' had plaats in 2012. 60.159 overnachtingen in centra voor noodopvang werden toen geregistreerd. Tabel 8a geeft een overzicht van het aantal overnachtingen in centra voor noodopvang en haar gebruikers in 2012 in de steden met een Relais social. De cijfers moeten evenwel met de nodige omzichtigheid geÔnterpreteerd worden, benadrukt IWPES. (bron: Deprez A. en Simon C., (2016), La prise en charge de la grande prťcaritť et du sans-abrisme dans six grandes villes wallonnes, Rapport de Recherche de l'IWEPS, nį15, avril 2016).
 In 2015 werden 4.638 personen in centra voor noodopvang geregistreerd. (bron: IWEPS, Hťbergement d'urgence, fiche 1004-REL.SOC, 01/06/2017).

Tabel 8a
: Aantal overnachtingen en aantal gebruikers van centra voor noodopvang in 2012 naar steden met 'Relais sociaux'

Stad

Kinderen

Vrouwen

Mannen

Totaal

 

overnachtingen

gebruikers

overnachtingen

gebruikers

overnachtingen

gebruikers

overnachtingen

gebruikers

Charleroi
(4 centra)

938

122

3.213

207

17.262

1.252

21.413

1.581(*)

LiŤge
(4 centra)

0(**)

0

2.104

182

16.929

1.196

19.033

1.378

Mons
(1 centrum)

1

0

835

76

3.315

220

4.154

296

La LouviŤre
(2 centra)

277

12

2.120

74

2.261

175

4.658

261

Verviers
(3 centra)

386

139

571

117

339

222

1.296

478

Namur
(1 centrum)

0

0

924

61

7.206

329

8.130

393

Totaal

1.602

/

9.767

/

47.260

/

58.629

/

®* : zonder dubbeltellingen
** : In Luik is het aantal overnachtingen van kinderen (45) opgenomen in het aantal overnachtingen van volwassenen naar geslacht.
/ : Uit omzichtigheid, omwille van mogelijke dubbeltellingen, is het totaal niet berekend.
Bron: Deprez A. en Simon C., (2016), La prise en charge de la grande prťcaritť et du sans-abrisme dans six grandes villes wallonnes, Rapport de Recherche de l'IWEPS, nį15, avril 2016, op basis van de tabellen 5.2 en 5.3.

In Brussel organiseerde tijdens de nacht van 7 november 2016 la Strada een dak- en thuislozentelling. In totaal werden 3.386 personen geteld waarvan 35 % daklozen (in de openbare ruimte of in nood- en crisisopvang), 25 % thuislozen (in onthaalhuizen) en 40 % in ontoereikende huisvesting (kraakpanden inbegrepen). La Strada benadrukt dat om verschillende redenen, de voorgestelde cijfers de realiteit onderschatten. Figuur 8a geeft een verdeling van de getelde personen per categorie.  Naast deze 3.386 'telbare' dak- en thuislozen, vonden nog eens 1.190 mensen een oplossing door de diensten begeleid wonen. Daarnaast worden ook nog 102 mensen in transitwoningen opgevangen.

Figuur 8a: Verdeling van de getelde mensen door la Strada tijdens de nacht van 7/11/2016 in het Brussels Gewest, per categorie. N = 3.386

Bron: Mondelaers Nicole (2017), Vierde en dubbele editie van de dak-en thuislozentelling in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest -7 november 2016/6maart 2017, Steunpunt thuislozenzorg Brussel-la Strada, figuur 2, p. 25.

In de periode 2008-2016 is het aantal mensen door la Strada geteld bij de opeenvolgende tellingen gestaag toegenomen en bijna verdubbeld (+96 %).  De toename sinds 2014 (+30 %) is vooral te wijten aan een stijging van het aantal mensen geteld in de openbare ruimte (+72 %). Nieuw voor 2016 is het stijgend aantal groepen of families die zich installeren in tenten en constructies vervaardigd uit achtergebleven materialen op braakliggende terreinen of parken en die geen beroep doen op bestaande diensten. Het is moeilijk het aantal kinderen in deze precaire situatie vast te stellen.

Figuur 8b: Evolutie van het aantal getelde mensen door La Strada tijdens de tellingen 2014-2016 in het Brussels Gewest, per categorie. N2014 = 2.603; N2016 = 3.386

Bron: Mondelaers Nicole (2017), Vierde en dubbele editie van de dak-en thuislozentelling in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest -7 november 2016/6maart 2017, Steunpunt thuislozenzorg Brussel-la Strada, figuur 3, p. 25.

Tijdens de telling van 6 maart 2017 met het winterplan op volle kracht, werden in het totaal 4.049 mensen geteld waarvan 48 % daklozen, 21 % thuislozen en 31 % mensen in ontoereikende huisvesting. Het globale aantal getelde mensen neemt tijdens de winter toe met 21 %. Eťn op vier van de getelde mensen verblijven in de winteropvang terwijl ťťn op acht mensen geteld werden in de openbare ruimte, ondanks het winterplan. 653 kinderen werden geteld waarvan 249 kinderen in een situatie van dakloosheid. (bron: Mondelaers Nicole (2017), Vierde en dubbele editie van de dak-en thuislozentelling in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest -7 november 2016/6maart 2017, Steunpunt thuislozenzorg Brussel-la Strada).

In Vlaanderen voerde het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin in opdracht van de minister van Welzijn een onderzoek uit dat een nulmeting van de dak- en thuislozenpopulatie in Vlaanderen beoogde. In de periode 15 januari tot en met 15 februari 2014 zijn 711 volwassenen en 53 kinderen in de winteropvang geregistreerd en 3019 volwassenen en 1675 kinderen zijn geregistreerd in de thuislozenzorg van de CAW's en de doorgangswoningen van de OCMW's. 599 werden tijdens de bevragingsperiode met uithuiszetting bedreigd. De onderzoekers geven aan dat de cijfers een onderschatting zijn, zeker wat betreft het aantal mensen die effectief op straat leven. (bron: Meys Evy en Hermans Koen (2014), Nulmeting dak-en thuisloosheid, Leuven: Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin).

Volgens een onderzoek naar de OCWM-hulpverlening aan dak- en thuislozen, uitgevoerd door het OASeS-centrum van de Universiteit Antwerpen en het Institut des Sciences Humaines et Sociales van de Luikse universiteit in opdracht voor de federale dienst Maatschappelijke Integratie (POD MI) (2010, p. 79-80) zijn er per 10.000 inwoners in WalloniŽ gemiddeld dubbel zoveel daklozen als in Vlaanderen (namelijk 25 tegenover 12). Het Brusselse Gewest heeft het hoogste gemiddelde, met 30 daklozen per 10.000 inwoners. Wat de evolutie van het aantal daklozen betreft, zijn er meer Vlaamse OCMWís die vinden dat het aantal daklozen gedurende de voorbije jaren is gestegen; meer Waalse en Brusselse OCWMís vinden dat het aantal daklozen gelijk is gebleven. Het aantal chronisch daklozen (personen die langer dan een jaar in deze situatie blijven) vertegenwoordigt 55 % van het totaal aantal daklozendossiers beheerd door OCMW's in het Brusselse Gewest, dat is bijna de helft minder in WalloniŽ met 28 %, en het vermindert nog in Vlaanderen met 16 %.

De POD Maatschappelijke Integratie verschaft bepaalde gegevens, namelijk cijfers over het aantal daklozen dat een installatiepremie krijgt en over het aantal daklozen dat van een aan 100% gesubsidieerd leefloon heeft genoten.
Een dakloze die een wo
ning vindt en hierdoor zijn hoedanigheid van dakloze verliest, heeft (eenmalig) recht op een installatiepremie. Vroeger konden enkel leefloongerechtigde daklozen hierop aanspraak maken (wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie - RMI-wet). Sinds de tweede helft van 2004 komen ook daklozen met een vervangingsinkomen of een inkomen lager dan een grensbedrag (het leefloonbedrag, vermeerderd met 10 %) in aanmerking (artikel 57bis van de wet van 23 augustus 2004 tot wijziging van  de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn  - OCMW-wet). Op basis van het recht op maatschappelijke hulp (RMH) tenslotte, is er een tussenkomst in de installatiekosten voor de huisvesting van behoeftige asielzoekers.
Het aantal installatiepremies geeft een beeld van het aantal personen die de toestand van dakloosheid, zij het soms slechts tijdelijk verlaten hebben. Het jaarlijks totaal aantal personen dat een installatiepremie of een tussenkomst in de installatiekosten verkrijgt, is sterk gestegen sinds 2003  (tabel 8b).


Tabel 8b:
Jaarlijks aantal installatiepremies naar reglementaire basis van toekenning, BelgiŽ, 2003-2016

 Jaar

RMI

OCMW-wet

RMH Gemiddeld totaal

2003

1.385

0

295 1.680

2004

1.449

0

266 1.715

2005

2.201

8

371 2.580

2006

2.188

31

414 2.632

2007

2.049

1.429

263 3.729

2008

2.688

2.505

7 5.196

2009

3.286

3.743

801 7.824

2010

3.097

4.780

545 8.413

2011

3.068

4.894

1.685 9.630

2012

3.364

4.078

760 8.199

2013

3.678

4.117

18 7.813

2014

4.198

4.192

10 8.400

2015

5.530

4.394

1

9.925

2016

6.159

4.565

7

10.731

bron: POD Maatschappelijke Integratie, Statistisch Verslag, nr. 17, december 2016, p. 32-34

Wanneer een persoon zijn hoedanigheid als dakloze verliest en voldoet aan de wettelijke verplichtingen (dat wil zeggen niet voldoende bestaansmiddelen hebben, wettelijk in BelgiŽ verblijven,...), ontvangt het OCMW gedurende twee jaar een terugbetaling van het leefloon aan 100 % van de federale Staat.
In 2016 hebben 7.341 personen een leefloon ontvangen dat voor 100 % ten laste wordt gedragen door de federale overheid (tabel 8c). Dit is 3,8 % van het jaarlijks aantal leefloners in 2016. Dit betekent echter niet dat deze 7.341 personen uit een toestand van dakloosheid ontsnapt zijn in 2016.  In 2011 namelijk, hadden 1.531 ex-daklozen hun recht aangevangen, 399 hadden hun recht tijdens dat jaar beŽindigd en 3.553 anderen hadden hun leefloon gedurende verschillende jaren onderbroken ontvangen. Van de begunstigden was 57,6 % vrouw, 33  % was tussen 18 en 24 jaar en 47,1 % tussen 25 en 44 jaar, 77,8 % had de Belgische nationaliteit tegenover 17,2 % niet-EU onderdanen. (POD Maatschappelijke Integratie, Focusnota nr. 2. Strijd tegen dak- en thuisloosheid, 26/10/2012, p. 3).


Tabel 8c: Evolutie van het aantal ex-daklozen dat van een aan 100% gesubsidieerd leefloon heeft genoten, BelgiŽ, 2003-2016

 Jaar

 Aantal

In percentage van het aantal leefloners

2003

1.898

1,6 %

2004

2.773

2,3 %

2005

2.960

2,5 %

2006

3.417

2,8 %

2007

3.722

2,9 %

2008

4.522

3,4 %

2009

5.598

3,9 %

2010

6.072

4,0 %

2011

5.446

3,7 %

2012

5.666

3,8 %

2013

5.967

3,9 %

2014

6.234

3,9 %

2015

6.650

3,8 %

2016

7.341

3,8 %

bron: POD Maatschappelijke Integratie



Het is interessant
om de sociaal-demografische kenmerken van daklozen te bekijken. Uit de bevraging van de dak- en thuislozen in 2010 in het kader van een onderzoek naar aanvullingen en correcties op EU-SILC, valt eerst en vooral de ernst van de armoedesituatie op. 72 % van de dak- en thuislozen leeft beneden de armoedegrens en zelfs erg diep onder de armoedegrens. Er zijn specifieke indicaties van ontbering zoals geen toegang tot drinkbaar drinkwater, toilet of douches in hun verblijfplaats. Het onderwijsniveau van de meeste daklozen ligt erg laag. Eťn op vijf mannelijke dak- en thuislozen heeft in de voorbije maand gewerkt. Het gaat dan vooral om precair werk. De overgrote meerderheid van de respondenten is alleenstaand. 24 % van de dak- en thuislozen beoordelen hun eigen gezondheid als 'slecht' tot 'zeer slecht'. Opvallend zijn de psychische en nerveuze aandoeningen. Een kwart van de daklozen kampt met overmatig alcoholverbruik. Nogal wat zieken raadplegen geen dokter omwille van financiŽle drempels.

Wat de verdeling volgens gender betreft: volgens de
dak- en thuislozentelling van 2016 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn er in het algemeen meer mannen (53 %), voornamelijk in de openbare ruimte (60 % tegenover 7 % vrouwen, 3 % kinderen en 30 % onbekend).

Tabel 8d geeft een overzicht van een aantal socio-economische kenmerken van thuislozen in Vlaanderen voor de jaren 2005-2013. De gegevens zijn gebaseerd op het Tellus cliŽntregistratieprogramma van de CAW's. Het omvat alle cliŽnten in begeleiding binnen de thuislozenzorg, in zowel de crisisopvang, de residentiŽle opvang en begeleiding als het begeleid wonen. In 2013 bedroeg het totaal aantal cliŽnten op onthaal 113.180; het totaal aantal in begeleiding bedroeg 40.251 (ambulant en residentieel samen).
De meeste thuislozen zijn alleenstaand: ongehuwd (61 %) of gescheiden (20 %). Vaak zijn ze jonger dan 30 jaar (55 %).

Tabel 8d: Socio-economisch profiel van thuislozen (in %), Vlaanderen, 2005-2013

Kenmerken

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Vrouwen

36

37

33

38

39

39

40

41

41

< 30 jaar

51

51

52

48

48

51

56

55

55

30-50 jaar

34

38

34

35

35

33

29

28

28

> 50 jaar

13

13

14

17

18

16

15

15

15

allochtonen*

30

31

27

25

25

27

27

27

29

ongehuwd

65

65

66

65

64

65

63

63

61

gescheiden

19

20

19

21

21

22

22

20

20

geen of alleen lager onderwijs voltooid

31

30

30

28

28

30

29

30

30

alleen lager secundair**

51

52

23

22

21

21

20

20

20

tewerkstellingsgraad

11

15

12

13

12

12

13

12

12

belangrijkste inkomen uit arbeid

11

12

13

13

12

13

13

12

12

werkloosheidsuitkering***

38

36

37

36

35

35

34

32

31

bijstand (OCMW)

17

18

18

18

18

18

18

18

18

inkomen gelijk of lager dan leefloon****

54

52

54

33

32

30

31

30

30

geen inkomen

29

29

29

24

26

28

27

25

25

* Vanaf 2005 gemeten volgens 'origine' gedefinieerd als 'een van beide ouders of grootouders is geboren in een land buiten BelgiŽ'. Omdat hierin naar land van herkomst geen achterstellingsindicatie zit, gaat het hier om een ruime definiŽring.  
** In de cliŽntregistratie Tellus w
erd oorspronkelijk geen onderscheid gemaakt tussen lager en secundair onderwijs; vanaf 2007 is dit wel het geval.
*** Alle socialezekerheidsuitkeringen met uitzondering van
de Tegemoetkoming voor Gehandicapten en Bijstand
****
Tot en met 2007 werd de categorie 'geen inkomen' hier ook in opgenomen.
bron: Tellus cliŽntregistratieprogramma CAW's zoals opgenomen in tabel in Dierckx Danielle, Coene Jill, Raeymaeckers Peter (red.) (2014), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2014, Leuven: Acco, p. 404.


Uit het overleg over de situatie van daklozen in BelgiŽ georganiseerd door het Steunpunt -een overleg voornamelijk gebaseerd op de ervaringen van de betrokkenen zelf en de verenigingen die dagelijks met daklozen werken- bleek dat de profielen en levenstrajecten van daklozen sterk verschillend zijn. Een grote gemene deler was een institutioneel verleden: in gevangenissen, in  instellingen voor bijzondere jeugdzorg of in ziekenhuizen. Maar de grootste gemene deler tussen alle daklozen die vastgesteld werd was weliswaar de 'ontankering', de aftakeling van het sociaal weefsel. Het is immers bijzonder moeilijk om de familiale banden te behouden en in een sociaal netwerk te investeren wanneer de leefomstandigheden extreem hard zijn.


Met welke problemen kampen daklozen?
Zowel in Vlaanderen als in WalloniŽ is het ontbreken van een betaalbare woonst het hoofdprobleem waarmee daklozen geconfronteerd worden, aldus een onderzoek naar de OCWM-hulpverlening aan dak- en thuislozen uitgevoerd door het OASeS-centrum van de Universiteit Antwerpen en het Institut des Sciences Humaines et Sociales (2010). Het gebrek aan voldoende inkomsten is het tweede belangrijkste probleem. De situatie van ontwrichte gezinnen wordt op de derde plaats vermeld in WalloniŽ en op de zesde plaats in Vlaanderen. Het ontbreken van een sociaal netwerk is ook een probleem dat in beide Gewesten vaak voorkomt. De problemen die in beide Gewesten het minst worden vastgesteld door OCMW's, zijn problemen met de fysieke gezondheid.

Het aandeel thuislozen met gezondheidsproblemen is nochtans zeer groot. Daklozen minimaliseren hun gezondheidsproblemen en lijken geen belang meer aan hun lichaam te hechten. Nochtans zijn alle studies het eens over de prevalentie van bepaalde gezondheidsaandoeningen bij daklozen in verhouding tot de algemene bevolking. Aandoeningen die regelmatig worden vermeld, zijn: verwondingen, tandproblemen, schurft, ademhalingsziekten en aandoeningen aan hart en longen, infectieziekten (voornamelijk HIV, tuberculose en hepatitis), psychische aandoeningen. Verslaving aan alcohol, tabak of drugs komt bij daklozen ook heel vaak voor. Daarnaast zijn er problemen als gevolg van een vroegtijdige aftakeling: een negatief zelfbeeld, een beperkt sociaal leven en het gevoel negatief te worden beoordeeld door de maatschappij. Deze vroegtijdige aftakeling, die meestal al is ingezet voor de persoon dakloos wordt, wordt nog bespoedigd door een verblijf op straat of in een onthaalcentrum. Dergelijke situaties leiden tot onzekerheid en hebben een negatieve weerslag op de fysieke en mentale gezondheid. Vooral slaapgebrek is heel schadelijk voor de gezondheid. Slaapgebrek veroorzaakt psychische problemen. (bron: Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2010), Verslag armoedebestrijding 2008-2009-Deel 2. Naar een coherente aanpak in de strijd tegen dakloosheid en armoede, p.33-34).

Opvallend zijn tevens de zich voortdurend herhalende ervaringen van relatiebreuken in het leven van thuislozen: vanaf de kindertijd tot de volwassen leeftijd. Thuislozen bevraagd over hun verleden in het kader van een participatief onderzoek te Brussel, uitgevoerd door het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad tussen augustus 2009 en februari 2010 spreken van een 'slechte start': soms ingewikkelde gezinssituaties, verstoting en verlating, leven in een instelling, schulden, geweld, mentale problemen, alcoholisme, huisvestingsmoeilijkheden en soms uithuiszettingen, een leven zonder toekomstperspectief.  De situaties waarin thuislozen terechtkomen, worden vaak van generatie op generatie doorgegeven. (bron: Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad (2010), Thuisloos in Brussel, Brussels armoederapport 2010, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, p. 74).

 

Laatste aanpassing: 04/07/2017