S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

franÁais

Feiten en cijfers 

 

  Hoe groot is de inkomensongelijkheid in BelgiŽ?

Laatste aanpassing : 10/04/2018

In BelgiŽ is het totale netto-inkomen dat verworven wordt door de rijkste 20 % van de bevolking bijna 4 maal groter da
n dat van de armste 20 %. BelgiŽ scoort in internationale vergelijkingen wel beter dan heel wat andere landen. De inkomensongelijkheid is de voorbije jaren niet significant gestegen of gedaald.


Toelichting

Inkomensongelijkheid meten is een complexe zaak. Conclusies zijn afhankelijk van de gebruikte definities, de gegevens, de bronnen en de methode.
Er zijn twee soorten bronnen die informatie geven over de inkomensverdeling: de ambtelijke statistieken zoals de fiscale inkomensstatistieken en onderzoek op basis van steekproeven zoals de EnquÍte naar inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC-enquÍte) en de recente Household Finance and Consumption Survey (EU-HFCS). T
en opzichte van fiscale statistieken hebben enquÍte gegevens het voordeel dat zij niet onderhevig zijn aan wijzigingen in de belastingwetgeving.

We bekijken de inkomensverdeling aan de hand van twee maatstaven: de
Gini-coŽfficiŽnt en de inkomenskwintielverhouding S80/S20. Vervolgens zoomen we in op de verdeling naar inkomensbronnen (inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogen) en presenteren we de evolutie van de loonongelijkheid en de vermogensongelijkheid. Voor de evolutie van de vervangingsinkomens verwijzen we naar de desbetreffende fiches in de rubriek Feiten en Cijfers.

1. Inkomensverdeling gemeten met de Gini-coŽfficiŽnt
2. Inkomensverdeling S80/S20 verhouding

3. Verdeling van de inkomens uit arbeid
4. Verdeling van de inkomens uit vermogen

5. Ongelijkheid ≠ Armoede

 

1. Inkomensverdeling gemeten met de Gini-coŽfficiŽnt

Een vaak gehanteerde maatstaf voor inkomensverdeling is de Gini-coŽfficiŽnt. De waarde van de coŽfficiŽnt varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige inkomensongelijkheid: al het inkomen behoort aan ťťn persoon).
Volgens de SILC-cijfers schommelt de Belgische inkomensongelijkheid de laatste jaren rond de 26; de laatste cijfers duiden niet op een afname (tabel 2a en grafiek 2a).

Tabel 2a en grafiek 2a: Inkomensverdeling in BelgiŽ gemeten met de Gini-coŽfficiŽnt van equivalent beschikbaar huishoudinkomen, SILC 2004 (netto-inkomen 2003) - SILC 2016 (netto-inkomen 2015)

 

SILC 2004

SILC 2005

SILC 2006

SILC 2007

SILC 2008

SILC 2009

SILC 2010

SILC 2011

SILC 2012

SILC 2013

SILC 2014

SILC 2015

SILC 2016

BelgiŽ

26,1

28,0

27,8

26,3

27,5

26,4

26,6

26,3

26,5

25,9

25,9

26,2

26,3


bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek Ė Statistics Belgium): EU-SILC 2016



Er zijn regionale verschillen (grafiek 2b): in Brussel zijn de inkomens ongelijker verdeeld dan in de rest van het land (Gini-coŽfficiŽnt bijna 36 tegenover Vlaanderen 24 en WalloniŽ 26).

Grafiek 2b: Inkomensverdeling in BelgiŽ, gewesten en Europese landen, gemeten met de Gini-coŽfficiŽnt van equivalent beschikbaar huishoudinkomen, SILC 2015 (BelgiŽ en regio's) en SILC 2014 (Europese landen)

bron: IWEPS, Stabilitť et transformations de la pauvretť en Wallonie?, Communiquť de presse 13 octobre 2016, grafiek 2, p. 2 op basis van SILC 2015 (BelgiŽ en regio's, berekeningen door IWEPS) en SILC 2014 (Europese landen, Eurostat)


Kijken we naar de inkomensverdeling in de Europese lidstaten in 2015 (SILC-2016 gegevens) (grafiek 2c), dan zien we dat
BelgiŽ onder het Europese gemiddelde blijft van 30,8. Met een score van 26,3 behoort BelgiŽ tot de meest inkomensgelijke landen van de EU28-landen na Slowakije (24,3), SloveniŽ (24,4), TsjechiŽ (25,1) en Finland (25,4). De ongelijkheid is groter in Nederland (26,9), Frankrijk (29,3), Duitsland (29,5) en Luxemburg (31,0). RoemeniŽ (34,7), Litouwen (37,0) en Bulgarije (38,3) behalen de slechtste resultaten.

Grafiek 2c: Inkomensverdeling in de Europese lidstaten gemeten met de Gini-coŽfficiŽnt van equivalent beschikbaar inkomen, SILC 2016 (netto-inkomen 2015)

bron: Eurostat, EU-SILC data


Tabel 2b: Evolutie van de Gini-coŽfficiŽnt van equivalent beschikbaar inkomen, enkele EU-landen, SILC 1995 (netto-inkomen 1994) - SILC 2016 (netto-inkomen 2015)

 

SILC 1995

SILC 2000

SILC 2005

SILC 2010

SILC 2015

SILC 2016

BelgiŽ

29

30

28,0

26,6

26,2

26,3

Denemarken

20

:

23,9

26,9(b)

27,4

27,7

Duitsland

29

25

26,1(b)

29,3

30,1

29,5

Griekenland

35

33

33,2

32,9

34,2

34,3

Finland

:

24

26,0

25,4

25,2

25,4

Frankrijk

29

28

27,7

29,8

29,2

29,3

Nederland

29

29

26,9(b)

25,5

26,7

26,9(b)

Polen

:

30

35,6(b)

31,1

30,6

29,8

Spanje

34

32

32,2

33,5

34,6

34,5

Verenigd Koninkrijk

32

32(b)

34,6(b)

32,9

32,4

31,5

Zweden

:

:

23,4

25,5

26,7

27,6

EU-28

:

:

:

30,5

31,0

30,8

(b) onderbroken reeks
bron: Eurostat
, EU-SILC data



In tegenstelling tot de meeste OESO landen is de inkomensongelijkheid in BelgiŽ laag en weinig gestegen gedurende de laatste 25 jaar. In het Westen is de ongelijkheid het grootst in de Verenigde Staten en is toegenomen sinds de jaren tachtig (grafiek 2d).

Grafiek 2d:  Evolutie van de Gini-coŽfficiŽnt van equivalent beschikbaar inkomen van een aantal OESO landen voor de periode 1985-2013

bron: OECD (2015), In It Together: Why Less Inequality Benefits All, OECD Publishing, Paris, Figuur 1.3 p. 9.
Zie verder: OECD Income Distribution Database (IDD)

 

2. Inkomensverdeling S80/S20 verhouding

Een beperking van de inkomensongelijkheid gemeten met de Gini-coŽfficiŽnt is dat deze vooral veranderingen rondom het midden van de inkomensverdeling zwaar laat wegen. Een andere ongelijkheidsmaat, de inkomenskwintielverhouding S80/S20 is enkel en alleen gevoelig voor wijzigingen in de hoogste en laagste 20% van de inkomens. De inkomenskwintielverhouding S80/S20 is de verhouding van het totale netto-inkomen van de 20% van de bevolking met het hoogste netto-inkomen (hoogste kwintiel) tot het netto-inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste netto-inkomen (laagste kwintiel).
Op basis van de EU-SILC-enquÍte bedraagt de S80/S20 verhouding sinds 2012 (SILC 2013) voor BelgiŽ  3,8 (tabel 2c en grafiek 2e). Dit wil zeggen dat het totale netto-inkomen dat verworven wordt door de rijkste 20% van de bevolking bijna 4 maal groter is dan dat van de armste 20%.

Tabel 2c en grafiek 2e: Inkomenskwintielverhouding S80/S20 in BelgiŽ, SILC 2004 (netto-inkomen 2003) - SILC 2016 (netto-inkomen 2015)

 

SILC 2004

SILC 2005

SILC 2006

SILC 2007

SILC 2008

SILC 2009

SILC 2010

SILC 2011

SILC 2012

SILC 2013

SILC 2014

SILC 2015

SILC 2016

BelgiŽ

3,9

4,0

4,2

3,9

4,1

3,9

3,9

3,9

4,0

3,8

3,8

3,8

3,8


bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek Ė Statistics Belgium): EU-SILC 2016


Grafiek 2f toont de Belgische situatie in Europees perspectief. In 2015 (SILC 2016 gegevens) schommelt de S80/S20 verhouding tussen de 3,5 (TsjechiŽ) en meer dan 7,0 (Bulgarije, RoemeniŽ en Litouwen). In vergelijking met het Europese gemiddelde (5,2), behaalt BelgiŽ een behoorlijk resultaat: 3,8.

Grafiek 2f: Inkomenskwintielverhouding S80/S20 in de Europese lidstaten, SILC 2016 (netto-inkomen 2015)


 

bron: Eurostat, EU-SILC data

 

3. Verdeling van de inkomens uit arbeid

De decielverdeling D9/D1 vergelijkt de 10 % werknemers met de laagste arbeidsinkomens (D1) met de 10% werknemers met de hoogste arbeidsinkomens (D9). In 2014 bedraagt de D9/D1 ratio voor BelgiŽ op basis van de EnquÍte naar de Structuur en de Verdeling van de Lonen (ook LoonstructuurenquÍte of SES genoemd) 2.4. Dit betekent dat de 10 % best betaalde werknemers minstens twee keer zoveel verdienen dan de 10 %  laagste verdieners.
Grafiek 2g geeft de D9/D1-ratio voor werknemers in de Europese lidstaten. We kijken hier naar de bruto-uurlonen. Er zijn grote verschillen tussen de landen: de loonkloof is het minst in Zweden met een ratio van 2.1, het meest 'gelijke land', terwijl Polen de hoogste ratio heeft: 4,7. De laagste D9/D1 ratio's na Zweden, vinden we in BelgiŽ, Denemarken en Finland (allen met een ratio van 2,4).

Grafiek 2g: D9/D1-ratio voor werknemers (bruto-uurloon) in de Europese lidstaten, 2014

Griekenland en KroatiŽ: gegevens niet beschikbaar
bron: Eurostat, How are earnings distributed in the EU ? Newsrelease 12 december 2016.


In 2015 verdiende de helft van de voltijds tewerkgestelde werknemers minder dan 3.095 euro bruto per maand. Kijken we naar de extremen, dan stellen we vast dat 10 % van de werknemers minder dan 2.253 euro bruto per maand verdient. Aan de andere kant van het spectrum ontvangt 10 % van de loontrekkenden een bedrag dat hoger ligt dan 5.308 euro. (Bron:
Statbel (Algemene Directie Statistiek Ė Statistics Belgium), De Belgische lonen onder de loep, 22 september 2017)

Sinds 2000 blijft de loonspanning gemeten aan de hand van D9/D1 ratio in BelgiŽ onder de 2.5 schommelen (grafiek 2h).

Grafiek 2h: D9/D1-ratio voor werknemers (bruto-uurloon), BelgiŽ, 2000-2014

bron: OECD.Stat



Ook op basis van de Gini-coŽfficiŽnt van de brutolonen van mensen die gedurende een vol jaar voltijds gewerkt hebben, kan geen toename van grotere ongelijkheid vastgesteld worden in de loop van het laatste decennium. (Bron: Cantillon Bea (2016). De staat van de welvaartsstaat, p. 68-69 en 485)

 

4. Verdeling van de inkomens uit vermogen

De Household Finance and Consumption Survey (EU-HFCS) is specifiek ontworpen om de verdeling van de vermogens in de landen van het eurogebied in kaart te brengen. Voor de eerste golf werden de interviews afgenomen in 2010; een tweede golf werd uitgevoerd in 2014. Het nettovermogen van de huishoudens is de som van het reŽel vermogen (zoals eigen woning, waardevolle voorwerpen,...) en financieel vermogen (zoals zicht- en spaarrekeningen, obligaties, aandelen,...) verminderd met de som van alle uitstaande schulden.
Er dient benadrukt te worden dat deze enquÍtegegevens ramingen zijn met foutenmarges die groter worden naarmate de onderzochte groep kleiner of meer divers wordt. Zo zijn de foutenmarges voor de toppercentielen zeer groot.
De vermogensverdeling is tussen de beide golven vrij stabiel gebleven. De armste huishoudens bezitten nauwelijks vermogen en de 20 % rijkste huishoudens beschikken in 2014 samen over 59 % van het totale nettovermogen van de Belgische huishoudens, tegen 61 % in 2010 (grafiek 2i). Het aandeel van de 10 % rijkste huishoudens bleef stabiel op 43 ŗ 44 %, dat van de 5 % meest vermogende op 30 ŗ 31 %, en dat van de 1 % rijkste huishoudens op 12 % van het totale nettovermogen van de Belgische huishoudens.
De inkomens- en de vermogensverdeling zijn vrij gelijklopend. Huishoudens met een hoog inkomen hebben doorgaans ook een groot vermogen en omgekeerd. (Bron: Du Caju, De vermogensverdeling in BelgiŽ: eerste resultaten van de tweede golf van de Household Finance and Consumption Survey (HFCS), september 2016)

Grafiek 2i: Verdeling van het nettovermogen, BelgiŽ, 2010 en 2014

bron: Du Caju, De vermogensverdeling in BelgiŽ: eerste resultaten van de tweede golf van de Household Finance and Consumption Survey (HFCS), september 2016, grafiek 9, p. 37 op basis van NBB (HFCS 2010 en 2014, voorlopige gegevens)

Op basis van de HFCS gegevens concluderen Kuypers en Marx ook dat de netto vermogens van de Belgische gezinnen min of meer stabiel zijn gebleven tussen 2010 en 2014. Het mediaan netto gezinsvermogen in BelgiŽ blijft bij de hoogste in Europa en bovendien is de vermogensongelijkheid kleiner dan in de meest andere landen van de Eurozone (zie grafiek 2j). Het vermogen blijft evenwel zeer ongelijk verdeeld: de ťťn procent meest vermogende Belgische gezinnen bezit nog steeds evenveel als de minst vermogende helft van de Belgische gezinnen samen. De aandelen van de top 5 en top 1 procent gezinnen bleven stabiel rond respectievelijk 30 en 12 procent. (Bron: Kuypers S. en Marx I. (2017). De verdeling van de vermogens in BelgiŽ: een actualisering. CSB-Bericht nr. 1, p. 19)

Grafiek 2j: De verdeling van het nettovermogen, 2014, Europese landen

bron: Kuypers S. en Marx I. (2017). De verdeling van de vermogens in BelgiŽ: een actualisering. CSB-Bericht nr. 1, figuur 2, p. 7. Figuur op basis van berekeningen van de auteurs op basis van HFCS. De landen zijn gerangschikt op basis van mediaan netto vermogen.

 

5. Ongelijkheid ≠ Armoede

De meeste ongelijkheidsmaatstaven zoals de Gini-coŽfficiŽnt zijn ongevoelig voor het algemene inkomensniveau van een land. Zo kunnen in een land inkomens 100 keer lager zijn dan in BelgiŽ en toch dezelfde Gini-coŽfficiŽnt hebben.
Bij het bestuderen van de inkomensongelijkheid, is het belangrijk te kijken naar verschuivingen die zich voordoen tussen groepen in de inkomensverdeling en deze te analyseren in termen van geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, beroep, sector,... Dergelijke analyse wijst er op dat er zich onder de algemene stabiliteit van de inkomensverdeling verschuivingen hebben voorgedaan gedurende het afgelopen decennium: onderaan de inkomensverdeling is in zekere mate een plaatswissel geweest tussen twee groepen: ouderen en laaggeschoolde actieven. Ouderen met een laag inkomen zijn iets gestegen op de inkomensladder terwijl laaggeschoolden daalden. Deze tegengestelde bewegingen verklaren ook het stabiele armoedeniveau. (Bron: FOD Sociale Zekerheid, De evolutie van de sociale situatie en de sociale bescherming in BelgiŽ 2017. Samenvatting en kernboodschappen, juli 2017)

Voor
de evolutie van de inkomensarmoede, verwijzen we naar de fiche Hoeveel mensen in BelgiŽ leven in armoede? in de rubriek Feiten en cijfers.


Over de relevantie van inkomens(her)verdeling voor duurzame ontwikkeling en voor bijkomende bronnen, verwijzen we naar de fiche Inkomensongelijkheid van de Task Force Duurzame Ontwikkeling van het Federaal Planbureau.

Laatste aanpassing : 10/04/2018