S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

 

Hoeveel procent van de bevolking leeft in een niet-kwalitatieve woning?

Laatste aanpassing : 18/06/2018

In België leeft een vijfde van de bevolking (2
0,7 %) in een huis met minstens één van de volgende problemen: vochtproblemen, geen bad of douche, geen toilet in de woning of een te donkere woning. Dit aandeel is duidelijk hoger bij de laagste inkomensgroepen: 28,5 %, dit is bijna een derde van de populatie met een armoederisico op basis van het inkomen. (bron: Eurostat, EU-SILC 2017)


Toelichting:

Hieronder geven we een toelichting aan de hand van de volgende items: (1) Bevolking dat leeft in een woning met één of meerdere problemen, (2) woonkwaliteit in de gewesten en (3) financiële problemen inzake verwarming van de woning

1. Bevolking dat leeft in een woning met één of meerdere problemen

Tabel 14a: Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met één of meerdere problemen*, België, SILC 2015-2017

 

Totale bevolking

Bevolking die risico loopt op armoede

 

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

SILC 2017
(inkomen 2016)

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

SILC 2017
(inkomen 2016)

Geen probleem

75,7

74,7

76,8

59,6

59,3

65,0

1 probleem

20,2

21,9

20,7

30,6

33,0

28,5

2 problemen

3,9

3,2

2,5

8,9

7,3

6,2

3 problemen

0,2

0,1

0,1

0,6

0,4

0,3

4 problemen

0,0 (**)

0,0 (**)

0,0

0,2

0,0

0,0

* Vochtproblemen (lekkend dak, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren); geen bad of douche; geen toilet met waterspoeling in de woning of een te donkere woning.
** Niet significatief
bron: Eurostat

 

Tabel 14bPercentage van de bevolking dat leeft in een woning met één of meerdere problemen, België, SILC 2015-2017

Percentage personen die deel uitmaken van een huishouden met volgende probleem

Totale bevolking

Bevolking die risico loopt op armoede

 

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

SILC2017
(inkomen 2016)

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

SILC 2017
(inkomen 2016)

overbezetting*

1,6

3,7

5,1

6,5

13,0

16,5

vochtproblemen**

18,2

19,3

18,5

30,9

30,4

27,7

woning is somber, donker***

7,4

7,4

5,9

14,3

13,8

11,7

geen toilet met waterspoeling in de woning

2,3

1,7

1,1

4,3

3,7

1,9

geen bad of douche

0,7

0,5

0,4

1,6

0,9

0,6

zware woning deprivatie ****

0,9

1,9

2,5

4,1

6,5

8,2

* Eurostat definieert 'overbezetting' als het aandeel van de personen die leven in een woning waarbij het huishouden niet kan beschikken over een minimum aantal kamers als volgt: een kamer voor het huishouden; een kamer voor ieder koppel in het huishouden; een kamer voor iedere persoon van 18 jaar of ouder; een kamer voor iedere persoon tussen 12 en 17 jaar oud en die niet inbegrepen zijn in een van bovenstaande groepen; een kamer voor elke twee kinderen onder de 12 jaar. Op te merken valt dat door selectieve uitval van personen in een zwakke sociaal-economische situatie, we hier ook waarschijnlijk met een onderschatting te maken hebben.
** Personen die in een woning leven en die menen een probleem te hebben met een lekkend dak, vochtige muur of vloer (schimmel, huiszwam) of rottend raamwerk.
*** Personen die menen dat hun woning te donker is, dat er niet voldoende daglicht is.
**** Eurostat definieert 'zware woning deprivatie' als het aandeel van de personen die leven in een overbezette woning met tegelijk ten minste één van de volgende problemen: lekkend dak, geen bad of douche, geen toilet, sombere woning.
bron: Eurostat


We zien een duidelijke samenhang met armoede
(zie tabellen 14a en 14b): 16,5 % van de personen die risico lopen op armoede zijn van mening dat ze te weinig ruimte hebben in hun woning; in de totale bevolking zijn er dat 5,1 %. Inzake vochtproblemen: bijna een derde (27,7 %) zegt problemen te hebben met een lekkend dak, vochtige muur of vloer (schimmel, huiszwam) of rottend raamwerk. Bij mensen boven de armoedegrens is dat 18,5 %. Zware woningdeprivatie komt voor bij 8,2 % van de personen met een armoederisico.

Tussen huurders en eigenaars zijn er grote verschillen op het gebied van kwaliteit van wonen. Bij huurders, vooral op de privémarkt, ligt de woningdeprivatie hoger en zij leven ook meer dan eigenaars in overbezette woningen: zie tabel 14c

Tabel 14c: Zware woningdeprivatie* en overbezetting naar eigenaar/huurder status, België, SILC 2015-2017

 

zware  woningdeprivatie

overbezetting

 

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

SILC2017
(inkomen 2016)

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

SILC 2017
(inkomen 2016)

eigenaar, met hypotheek of lening

0,1

0,8

1,2

0,5

1,7

2,3

eigenaar, zonder hypotheek of lening

0,0

0,1

0,4

0,3

0,4

0,8

huurder, op de privémarkt

3,0

5,5

9,0

4,5

10,8

17,1

huurder, sociale huisvesting of gratis bewoning

2,6

4,7

2,3

4,2

8,6

7,8

* Eurostat definieert 'zware woningdeprivatie' als het aandeel van de personen die leven in een overbezette woning met tegelijk ten minste één van de volgende problemen: lekkend dak, geen bad of douche, geen toilet, sombere woning.
bron: Eurostat

Huurders kennen een armoederisico dat bijna vijf keer zo hoog ligt dan dat van eigenaars, nl. 36,
4 % versus 8,8 %.

Tabel 14d: Evolutie van het armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar eigenaar/huurder status, België , SILC 2010-2017

 

SILC 2010
(inkomen 2009)

SILC 2011
(inkomen 2010)
SILC 2012
(inkomen 2011)
SILC 2013
(inkomen 2012)
SILC 2014
(inkomen 2013)
SILC 2015
(inkomen 2014)
SILC 2016
(inkomen 2015)
SILC 2017
(inkomen 2016)
eigenaar of zonder huur

9,1

8,8

8,8

8,1

8,4

8,1

7,6

8,8

huurder

29,5

33,1

33,4

34,6

34,7

32,8

36,2

36,4

bron:  Eurostat

 

2. Woonkwaliteit in de gewesten

In het Vlaamse Gewest leefde in 2015 iets minder dan een vijfde van de bevolking (18,9 %) in een huis met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren, zonder adequate verwarming, met een gebrek aan elementair comfort of met een gebrek aan ruimte. Dat komt overeen met ongeveer 1,2 miljoen personen.  Dat aandeel is na een stijging tussen 2007 en 2011, in de jaren daarna weer iets gedaald. Het aandeel personen met huisvestingsproblemen neemt af met de leeftijd. Daarnaast zijn er meer problemen bij de eenoudergezinnen en alleenstaanden, de werklozen, de gezinnen waar slechts beperkt wordt gewerkt, de huurders, de laagste inkomensgroepen en de niet EU-burgers (bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering, Vlaamse armoedemonitor 2017, p. 39).

In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, verklaart ongeveer 22 % van de huishoudens in de Gezondheidsenquête 2013 een woning (al dan niet gehuurd) te betrekken met minstens één van de volgende problemen: vocht in de woning, overbezetting en/of niet de mogelijkheid hebben de woning te verwarmen. Private huurders (26 %) worden vaker met deze problemen geconfronteerd dan eigenaars (13 %). 20 % van de koppels met kind(eren) wordt geconfronteerd met een situatie van overbevolking; 17 % van de eenoudergezinnen meldt vocht- en schimmelproblemen. Ongeveer 35 % van de armste Brusselse huishoudens (op basis van het equivalent beschikbaar inkomen) wordt met minstens één van die comfortproblemen in hun woning geconfronteerd tegenover ongeveer 10 % onder de rijkste Brusselse huishoudens. Uit de enquête 2016 van het Observatorium van de huurprijzen blijkt dat 11 % van de huurders hun woning beschouwen als in heel slechte of slechte staat en 25 % beschouwt de staat van de woning als gemiddeld. 26 % van de huurders rapporteert een slechte termische isolatie van hun woning en 28 % meldt problemen van vocht (bron: Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad, Welzijnsbarometer 2017, p.51 en p.54).

In het Waalse Gewest leefde in 2015 22,5 % van de bevolking in een woning met vochtproblemen. Huurders, zowel private als sociale huurders, zijn meer geconfronteerd met dit probleem dan eigenaars (bron: IWEPS, Part de la population vivant dans un logement humide, fiche 1010-POP.PROB.LOG, 01/12/2017). Volgens de resultaten van de Gezondheidsenquête 2013 verkeert 1 % van de huishoudens in een situatie van overbevolking, 9 % slaagt er niet in hun woning voldoende te verwarmen en 5 % meldt vocht of schimmelproblemen. Wanneer de 3 items samen worden beschouwd, dan blijkt dat 13 % van de huishoudens minstens één van deze problemen in hun woning heeft. De huishoudens waar de referentiepersoon (of zijn/haar partner) een diploma van hoger onderwijs heeft (8 %) melden minder vaak comforproblemen in hun woning dan de huishoudens waar de referentiepersoon lager opgeleid is (percentage variërend tussen 14 % en 18 %). De huishoudens die eigenaar zijn van de woning (9%) hebben minder comfortproblemen dan de private huurders (20 %) en de sociale huurders of gratis bewoners (21 %) (bron: Charafeddine R. Omgeving, huisvesting en passief roken. In: Charafeddine R., Demarest S. (red.). Gezondheidsenquête 2013. Rapport 4: Fysieke en sociale omgeving.WIV-ISP, Brussel, 2015, p. 65-66).

 

3. Financiële problemen inzake verwarming van de woning

Naar huisvestingskosten toe: personen die een risico lopen op armoede hebben een drie keer hogere kans om geconfronteerd te worden met financiële problemen om hun woning genoeg te verwarmen.

Tabel 14ePercentage van de bevolking dat de woning onvoldoende kan verwarmen, België, SILC 2015-2017 (inkomens 2014-2016)

 

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

SILC 2017
(inkomen 2016)

totale bevolking

5,2

4,8

5,7

bevolking die risico loopt op armoede

14,8

16,2

20,0

bron: Eurostat

 

Voor zowel de federale overheid als voor de gewesten vormt het een uitdaging het garanderen van de toegang tot betaalbare en degelijke woningen. Het werk van het Steunpunt hieromtrent kan men vinden op de thematische webpagina huisvesting.

Laatste aanpassing : 18/06/2018