S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

 

Feiten en cijfers

 

  Hebben laaggeschoolden een hoger risico om in armoede te belanden?

Laatste aanpassing : 23/11/2017

Ja.
Laagopgeleiden hebben het vaak moeilijker op de arbeidsmarkt en lopen bijgevolg een groter risico op sociale uitsluiting.

Toelichting:

Opleiding(sniveau) bepaalt in onze maatschappij steeds meer de positie die iemand kan innemen op de sociale ladder.
Laaggeschoolden dreigen in onze kennismaatschappij meer en meer uit de boot te vallen. Een lage opleiding leidt tot een merkelijk hoger armoederisico: 30,7 % versus 6,1 % voor hooggeschoolden volgens de EU-SILC 2016 enquête. Het armoederisico onder de laaggeschoolden op actieve leeftijd is sterk toegenomen: van 18,8 % (EU-SILC 2006) tot 30,7 % (EU-SILC 2016).
 

Tabel 10a: Armoederisicopercentage  (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar opleidingsniveau (bevolking 18-64 jaar), België, SILC 2006-2016

  SILC

lage opleiding

gemiddelde opleiding

hoge opleiding

Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw
2006 18,8 16,9 20,7 11,0 9,9 12,2 5,6 5,4 5,8
2007 19,9 19,8 20,0 11,5 9,9 13,2 5,7 5,7 5,8
2008 20,6 18,3 23,0 10,9 9,4 12,5 5,3 5,5 5,2
2009 22,2 18,5 26,0 9,8 8,7 11,0 5,2 5,6 4,8
2010 22,7 20,5 25,0 9,8 8,8 10,8 5,2 6,0 4,6
2011 25,5 22,3 28,9 11,5 10,9 12,2 6,0 5,9 6,0
2012 26,3 24,2 28,6 11,3 9,4 13,4 7,1 7,3 6,9
2013 27,3 25,9 28,7 11,4 9,9 12,9 7,2 8,7 5,8
2014 28,5 25,8 31,4 13,5 12,0 15,3 6,5 6,5 6,4
2015 27,8 22,1 33,6 14,0 12,5 15,6 6,6 7,4 5,9
2016 30,7 27,0 34,8 14,6 12,9 16,3 6,1 6,1 6,2

bron: Eurostat: EU-SILC
 

Van de Belgische bevolking van 15 jaar en meer beschikte in 2016 13,9 % over een diploma lager onderwijs of geen diploma, 20,5 % over een diploma lager secundair onderwijs, 35,7 % over een diploma hoger secundair onderwijs, 15,3 % over een diploma hoger onderwijs van het korte type of een professionele bachelor en 14,6 % over een diploma hoger niet-universitair onderwijs van het lange type, universitair onderwijs of een academische bachelor of master. In de tabellen 10c en 10d wordt de scholingsgraad van jongeren in België vergeleken met andere Europese lidstaten. Het aandeel laaggeschoolde (maximaal lager secondair onderwijs) jongeren tussen 18 en 24 jaar schommelt rond het Europese gemiddelde, terwijl het aandeel hooggeschoolden (minstens hoger secundair onderwijs) tussen 30 en 34 jaar hoger is dan het Europese gemiddelde.
 

Tabel 10b: Onderwijsniveau van de bevolking (15 jaar en ouder) - in procenten, België, 2011-2016

Behaald diploma

2011

2012 (b)

2013 2014 (c) 2015 2016
Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0
Lager onderwijs of geen diploma 18,9 18,7 17,5 15,7 14,4 13,9
Lager secundair onderwijs 19,5 19,2 19,5 20,5 20,8 20,5
Hoger secundair onderwijs 34,3 34,1 34,9 34,5 35,3 35,7
Hoger niet-universitair onderwijs van het korte type / Professionele Bachelor (a) 13,8 13,3 12,9 14,8 15,0 15,3

Hoger niet-universitair onderwijs van het lange type / Universitair onderwijs / Academische Bachelor of Master (a) (b)

13,3 14,6 15,2 14,5 14,5 14,6

(a) Sinds 2008 wordt er in de Enquête naar de arbeidskrachten rekening gehouden met de BaMa-structuur van het hoger onderwijs. Afgestudeerden met een professionele bachelor komen in dezelfde categorie terecht als deze met een diploma van het hoger niet-universitair onderwijs van het korte type. Zowel de diploma's van academische bachelor als van master behaald aan een hogeschool worden bij het hoger niet-universitair onderwijs van het lange type opgenomen. Zo ook worden de diploma's van academische bachelor en van master behaald aan een universiteit bij het universitair onderwijs opgenomen. Dit heeft een breuk tot gevolg in de cijfers vanaf 2008. De BaMa-structuur werd ingevoerd vanaf 2004-2005 en de eerste bachelordiploma's werden dus uitgereikt in 2008.
(b)
Wijziging van de formulering van de antwoordmodaliteiten in de Franstalige vragenlijst.
(c) In 2014 werd de vraagstelling naar het hoogst behaalde diploma in de Enquête naar de arbeidskrachten gewijzigd wat bepaalde breuken kan hebben veroorzaakt.
b
ron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: Enquête naar de arbeidskrachten
 

Tabel 10c: Laaggeschoolden*: percentage van de 18-24-jarigen die maximaal een diploma lager secundair onderwijs behaald hebben, België, buurlanden en EU-28, 2011-2016

2011 2012 2013 2014 2015 2016
België 12,3 12,0 11,0 9,8 (b) 10,1 8,8
Duitsland 11,6 10,5 9,8 9,5 (b) 10,1 10,3
Frankrijk 12,3 11,8 9,7 (b) 9,0 (b) 9,2 8,8
Nederland 9,2 8,9 9,3 (b) 8,7 (b) 8,2 8,0
EU-28 13,4 12,7 11,9 11,2 (b) 11,0 10,7

* Het gaat over ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 0-2
(b): onderbroken reeks

bron: Eurostat
: Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten


Tabel 10
d: Hooggeschoolden*: percentage van de 30-34-jarigen die met succes hoger onderwijs hebben afgerond, België, buurlanden en EU-28, 2011-2016

  2011 2012 2013 2014 2015 2016
België 42,6 43,9 42,7 43,8 (b) 42,7 45,6
Duitsland 30,6 31,8 32,9 31,4 (b) 32,3 33,2
Frankrijk 43,1 43,3 44,0 (b) 43,7 (b) 45,1 43,6
Nederland 41,2 (b) 42,2 43,2 (b) 44,8 (b) 46,3 45,7
EU-28 34,8 36,0 37,1 37,9 (b) 38,7 39,1

* Het gaat over ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 5-8
(b): onderbroken reeks

bron: Eurostat:
Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten

 

Het percentage laaggeschoolden in de volwassen bevolking ligt hoger in België (24,9 %) dan in de omringende landen en overstijgt het Europese gemiddelde (23,1 %).
Lage scholing is sterk leeftijdsgevonden. Ouderen zijn meer laaggeschoold dan jongeren (België: 39,0 % versus 17,2 %). Het aandeel laaggeschoolden afkomstig uit een niet EU-land is opvallend hoog (België: 42,3 %).  Veel laaggeschoolden blijken economisch inactief of werkloos te zijn (België: respectievelijk 47,9 % en 37,2 %).
Het aandeel laaggeschoolden van 25 tot 64 jaar ligt hoger in het Brussels Gewest dan in de twee andeer gewesten (tabel 10f).
 

Tabel 10e: Percentage personen met een laag opleidingsniveau* in de volwassen bevolking (25-64-jarigen) naar socio-economische kenmerken, België, buurlanden en EU-28, 2016

  België Duitsland Frankrijk Nederland EU-28
Totaal 24,9 13,5 21,9 22,9 23,1
Man 25,7 12,1 21,3 22,2 23,1
Vrouw 24,1 14,9 22,5 23,6 23,0
           
Leeftijd          
25-34 jaar 17,2 13,0 13,3 14,2 16,6
35-44 jaar 18,5 14,2 15,8 18,5 19,5
45-54 jaar 25,0 12,8 23,3 24,1 24,8
55-64 jaar 39,0 14,2 34,8 34,0 31,2
           
Land van geboorte          
Rapporterend land 22,1 8,6 19,1 21,7 21,6
Buitenland 36,3 33,0 38,3 30,3 32,2
-Ander EU-28 land 27,3 : 34,8 17,9 22,9
-Niet EU-28 land 42,3  : 39,4 34,2 36,2
    -      
Activiteitsstatus          
Werkend 16,3 10,0 15,5 17,8 17,1
Werkloos 37,2 27,5 31,1 27,2 36,9
Inactief** 47,9 27,6 41,0 45,1 39,9

: niet beschikbaar
* M
aximaal een diploma lager secundair onderwijs, ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 0-2
** Noch werkend, noch werkloos

bron: Eurostat:
Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten
 

Tabel 10f: Percentage personen met een laag opleidingsniveau* in de volwassen bevolking (25-64-jarigen) naar geslacht, België en de gewesten, 2016

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Vrouw 24,1 29,2 21,6 26,9
Man 25,7 28,9 23,5 28,5
Totaal 24,9 29,1 22,6 27,7

* Maximaal een diploma lager secundair onderwijs, ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 0-2
bron
: Eurostat: Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten


Het percentage vroegtijdige schoolverlaters, leerlingen die het onderwijs verlaten zonder diploma hoger secundair onderwijs, bedraagt in 2016 voor België 8,8 % (EU 28-gemiddelde = 10,7 %). Dit aandeel ligt veel hoger in het Brussels Gewest namelijk 14,8 % versus 6,8 % in het Vlaams en 10,3 % in het Waals Gewest. Volgens de Europa 2020-stategie, moet het percentage vroegtijdige schoolverlaters onder de 10 % komen te liggen; voor België is die doelstelling een vermindering tot 9,5 % tegen 2020.  (Voortijdig schoolverlaten aanpakken: een essentiële bijdrage aan de Europa 2020-agenda).
Meer mannen dan vrouwen verlaten de school zonder diploma. In België, in 2016 bedraagt dit verschil 3 procentpunt.
 

Tabel 10g: Percentage vroegtijdige schoolverlaters* (bevolking 18-24 jaar oud) naar geslacht - jaargemiddelden, EU-28, België en de gewesten, 2011-2016

  EU-28 België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
2011          
Totaal 13,4 12,3 18,9 9,6 14,7
Vrouw 11,5 9,7 16,8 7,0 11,7
Man 15,3 14,9 21,3 12,1 17,7
2012          
Totaal 12,7 12,0 20,1 8,7 14,8
Vrouw 10,9 9,5 16,3 6,8 11,7
Man 14,5 14,4 24,1 10,5 17,9
2013          
Totaal 11,9 11,0 17,7 7,5 14,7
Vrouw 10,2 8,7 16,1 5,7 11,4
Man 13,6 13,2 19,4 9,3 17,8
2014 **          
Totaal 11,2 9,8 14,4 7,0 12,9
Vrouw 9,6 7,7 11,2 5,7 9,9
Man 12,8 11,8 17,5 8,3 15,9
2015          
Totaal 11,0 10,1 15,8 7,2 13,1
Vrouw 9,5 8,6 14,8 5,8 11,1
Man 12,4 11,6 16,9 8,6 15,0
2016          
Totaal 10,7 8,8 14,8 6,8 10,3
Vrouw 9,2 7,4 13,5 5,1 9,4
Man 12,2 10,2 16,3 8,5 11,3

De cijfers zijn steeds jaargemiddelden.
* Definitie "Vroegtijdige schoolverlaters": het percentage personen met een leeftijd van 18 tot 24 jaar dat geen diploma hoger secundair onderwijs heeft behaald en geen enkele vorm van onderwijs of vorming meer volgt. Personen in schoolvakantie worden niet als vroegtijdige schoolverlater beschouwd.
** Wegens een wijziging in de vraagstelling, zijn de resultaten niet volledig vergelijkbaar met de voorgaande jaren.
bron: Eurostat: Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten
 

Momenteel stromen nog vele jongeren uit een kansarm milieu door naar het buitengewoon onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat het buitengewoon onderwijs een omkadering biedt die niet altijd aanwezig is in het gewoon onderwijs: de kosten zijn lager, het vervoer wordt verzekerd, de toegankelijkheid is groter, er is meer individuele en gerichte aandacht, de logopedisten en kinesisten zijn aanwezig op school en dienen niet langer buitenschools ingeschakeld te worden. Het certificaat dat aan het einde wordt uitgereikt biedt niet dezelfde perspectieven dan dat binnen het gewoon onderwijs en geeft problemen bij de inschakeling naar werk. In Vlaanderen zit 5,4 % van de leerlingen uit het lager onderwijs in het buitengewoon onderwijs (schooljaar 2016-2017). In de Franse Gemeenschap is dit nagenoeg gelijk: 5,3 % (schooljaar 2014-2015). Voor het secundair onderwijs is dit percentage ook nagenoeg gelijk in beide gemeenschappen, rond 4,5 %.
 

Tabel 10h: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs(*) naar onderwijsniveau , Vlaamse gemeenschap, 2016-2017

  2016-2017
Kleuteronderwijs 0,7
Lager onderwijs 5,4
Secundair onderwijs 4,6

(*) Leerlingen van het type 5 zijn niet opgenomen in de cijfers van het buitengewoon onderwijs.
bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Voorpublicatie statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2016-2017


Tabel 10i
: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau, Franse gemeenschap, 2014-2015

 

2014-2015

Kleuteronderwijs

0,7

Lager onderwijs

5,3

Secundair onderwijs

4,7

bron: Fédération Wallonie-Bruxelles/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2016

Voor gegevens over het groter aandeel van leerlingen uit kansarme buurten in het bijzonder onderwijs in de Franse Gemeenschap : klik hier
bron: Communauté française/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2016


In de Vlaamse Gemeenschap had in het schooljaar 2016-2017, 1,0 % van de leerlingen in het lager onderwijs een vertraging van 2 jaar of meer opgelopen, in het secundair onderwijs was dit 5,5 %.
 

Tabel 10j: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Vlaamse Gemeenschap, 2016-2017

 

2016-2017

Lager onderwijs 1,0
Secundair onderwijs 5,5

bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Voorpublicatie statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2016-2017


In de Franse Gemeenschap had in het schooljaar 2014-2015 2 % van de leerlingen 2 jaar of meer schoolse vertraging opgelopen in het lager onderwijs (P4); in het secundair onderwijs (S4) was dit 25 %.
 

Figuur 10.1: Individuele schoolloopbanen naar onderwijsniveau in het gewoon onderwijs, Franse Gemeenschap, 2014-2015

M = kleuteronderwijs; P = lager onderwijs; S = secundair onderwijs
legende:
groen: tijdig; oranje: 1j achterstand; paars: 2j of meer achterstand
bron:
Communauté française/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2016, fig. 10.1, p. 31; Fiche: Retard scolaire dans l'enseignement ordinaire de plein exercice
 


Het Pisa-project (Program for International Student Assessment) van de OESO meet elke drie jaar de leerprestaties van 15-jarigen in België en de wereld inzake leesvaardigheid.
Tabel 10k geeft sinds het begin van het PISA-onderzoek in 2000, een overzicht van het aandeel leerlingen dat het basisniveau leesvaardigheid niet bereikt. Op de PISA-geletterdheidsschaal wordt vaardigheidsniveau 2 gezien als het basisniveau.  Vanaf dit niveau beheersen leerlingen de leesvaardigheden die nodig zijn om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij.

Tabel 10k: Percentage leerlingen van 15 jaar die het basisniveau geletterdheid niet halen, België en de gemeenschappen, PISA2000-PISA2015 *

 

 Percentage leerlingen die onder niveau 2 scoren op de PISA-geletterdheidsschaal

 

PISA2000

PISA2003

PISA2006

PISA2009

PISA2012

PIS2015

België

19

17,9

19,4

17,7

16,1

19,5

Duitstalige Gemeenschap

 

20,1

19,3

16,9

17,9

14,3

Franse Gemeenschap

28,2

25,1

26,3

23,3

19,2

22,6

Vlaamse Gemeenschap

11,6

12,4

14,1

13,4

13,7

17,1

* Voor de mate van nauwkeurigheid van de gegevens, verwijzen we naar de OESO, PISA databank waar standaardfouten vermeld zijn.
Bron: OESO, PISA zoals aangeleverd door Université de Liège-Service d’analyse des systèmes et des pratiques d’enseignement
, Projet PISA
Zie ook: fiche Feiten en Cijfers-Hoeveel mensen in België zijn laaggeletterd?

Uit de verschillende PISA-cycli blijkt telkens weer dat de sociaal-economische thuissituatie van leerlingen een invloed heeft op hun prestaties: leerlingen uit gezinnen met een hoge sociaal-economische status behalen hogere PISA-resultaten dan leerlingen uit gezinnen met een lage socio-economische status. België combineert een hoog gemiddelde prestatie met een zeer sterke samenhang tussen prestatie en socio-economische achtergrond.

Laatste aanpassing: 23/11/2017