S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

franÁais

Feiten en cijfers

 

  Welke omvang heeft armoede bij ouderen?

Laatste aanpassing: 19/07/2016

In 201
4 behoort 15,2 % van de 65-plussers tot de groep met een armoederisico op basis van het inkomen volgens de EU-SILC 2015 gegevens. In absolute cijfers komt dit overeen met ongeveer 288.000 personen. Dit cijfer moet weliswaar genuanceerd worden: het kan hoger zijn (bijvoorbeeld bepaalde groepen ouderen worden niet bevraagd), maar het kan ook lager zijn (er wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met het feit of iemand eigenaar is van zijn woning).
 

Toelichting:

Ondanks het feit dat armoede multidimensionaal van aard is, gebeurt de meest gekende en verspreide meting aan de hand van het inkomen. De beste bron hiervoor is de EU-SILC enquÍte ('European Union Ė Statistics on Income and Living Conditions' of 'Statistiek naar Inkomens en Levensomstandigheden'). Deze enquÍte wordt voor BelgiŽ georganiseerd door de Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium. De maatstaf die wordt gehanteerd voor armoede is de grens van 60 % van het mediaan beschikbaar inkomen op individueel niveau. Hierbij wordt geen rekening gehouden met een woning in eigendom. Personen met een inkomen dat zich beneden deze inkomensgrens situeert, worden geconfronteerd met een armoederisico. (bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: Armoederisico en Glossarium EU-SILC).

Het feit dat de EU-SILC gegevens afkomstig zijn van een steekproef van huishoudens, betekent dat de resultaten onderhevig zijn aan een foutenmarge.  In het bijzonder voor groepen waarvan de omvang van de steekproef beperkt is, zal de foutenmarge groot zijn.  De gegevens wijzen dan ook eerder op een orde van grootte. 

Ouderen in collectieve huishoudens (vooral rusthuizen) zijn niet opgenomen in de enquÍte. Hoewel het concept van armoederisico moeilijk is toe te passen in de context van een rust- en verzorgingstehuis, zou het dus kunnen dat de SILC-cijfers een onderschatting inhouden. Een studie op basis van de gegevens uit het Datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming (Kruispuntbank van de sociale zekerheid) wees uit dat gepensioneerden in instellingen een lager equivalent inkomen dan hun leeftijdsgenoten in private huishoudens hebben (wel is dit verschil bij de 85-plussers, die de meerderheid uitmaken, klein). Het percentage ouderen in instellingen dat de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO) of GIB (gewaarborgd inkomen voor bejaarden, de voorloper van IGO) ontvangt Ė een indicatie voor het aandeel van mensen met lage inkomens - is veel hoger dan bij de niet-geÔnstitutionaliseerde ouderen, namelijk 15,7 % tegenover 5,3 % (het zou natuurlijk kunnen dat de eerste groep meer hulp krijgt om deze rechten effectief op te nemen). (bron: Peeters, H., Debels, A. en Verpooten, R. (2011). Excluding Institutionalized Elderly form Surveys: Consequenties of Income and Poverty Statistics, Social Indicators Research)

Ouderen kampen ook vaker met hogere gezondheidskosten en extra kosten voor thuiszorg en Ėhulp. Dit kan een belangrijke impact op hun budget hebben.

Andere kritieken op deze indicator hebben te maken met het feit dat geen rekening wordt gehouden met zeer belangrijke factoren in de evolutie van de materiŽle armoede van ouderen, in het bijzonder met de situatie van hun spaargeld (en eventuele erfenissen), schulden en eigendom. Wanneer in de armoedemeting ook rekening wordt gehouden met onroerende eigendommen, leidt dit tot een aanzienlijke afname van de kloof tussen het gemiddelde inkomen van de oudere bevolking en het gemiddelde inkomen voor de totale bevolking (zie verder). Een diepgaande analyse van de economische positie van de oudere bevolking moet dan ook rekening houden met het samenspel tussen de uitkeringen en de bezittingen van ouderen in de ruimste betekenis (bron: Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad, Armoede en (ver)ouderen, Brussels armoederapport 2008, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2008, p. 17; zie ook: 'Methodologische noot' in Hoge Raad van FinanciŽn, Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juli 2016, p. 37-38). Maar het eigenaarschap biedt echter zeker niet altijd bescherming tegen armoede. Onderzoek wijst er trouwens op dat sociaal kwetsbare ouderen vaak in een onaangepaste woning (slecht geÔsoleerd, weinig comfort,Ö) leven, en niet over de middelen, kracht of het sociaal netwerk beschikken om de nodige herstellingen te doen.

Volgens de gegevens van de enquÍte
EU-SILC 2015 die gebaseerd zijn op het inkomen van 2014, heeft 15,2 % van de 65-plussers een inkomen dat lager ligt dan de armoededrempel die in 2014 1.083 Ä netto per maand of 12.993 Ä netto per jaar voor een alleenstaande bedraagt.

Tabel 14a geeft de evolutie van het armoederisico voor verschillende subcategorieŽn weer.

Tabel 14a. Evolutie van het armoederisico (in %) in BelgiŽ naar socio-economische kenmerken, EU_SILC 2010-2015

 

Jaar van de EU-SILC enquÍte

Karakerteristieken

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Totale bevolking

14,6

15,3

15,3

15,1

15,5

14,9

 

 

 

 

 

 

 

Jonger dan 65j, totaal

13,7

14,4

14,5

14,4

15,3

14,8

man

13,1

13,7

13,9

14,2

14,9

14,0

vrouw

14,2

15,0

15,1

14,5

15,8

15,6

65 en + , totaal

19,4

20,2

19,4

18,4

16,1

15,2

man

18,7

20,1

19,2

17,0

15,5

14,5

vrouw

20,0

20,3

19,5

19,5

16,5

15,7

75 en +, totaal

20,9

21,4

20,8

20,8

18,4

17,2

 

 

 

 

 

 

 

Alleenstaande

18,8

21,4

20,2

24,5

22,4

21,2

jonger dan 65j

17,4

22,1

21,4

26,4

25,1

22,9

65 en +

21,1

20,2

18,2

21,2

17,8

18,4

Koppel, beiden jonger dan 65j

9,1

9,9

9,5

8,7

8,1

8,6

Koppel, min 1 is ouder of = 65j

19,1

22,0

20,5

16,9

14,1

12,5

 

 

 

 

 

 

 

Werkenden

4,5

4,2

4,5

4,4

4,8

4,6

Werklozen

30,4

37,8

34,8

46,2

42,9

40,5

Gepensioneerden

16,1

17,3

16,7

15,1

12,9

12,4

Andere niet-actieven

24,5

26,4

27,8

29,2

31,3

30,3

bron: Eurostat, EU-SILC


De inkomensmeting op basis van de EU-SILC enquÍte houdt geen rekening met het vermogen op zich zoals de eigendom van een woning. Een belangrijk aandeel van de 65-plussers is eigenaar van hun woning. Rekening houdend met toegerekende huur, vermindert het armoederisico bij ouderen sterk en bedraagt 10,2 % in 2013 wat minder is dan dat van de rest van de bevolking (14,5 %). (bron: Hoge Raad van FinanciŽn, Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juli 2016, p. 51-53). Alhoewel het belangrijk is om rekening te houden met de toegerekende huur voor het vaststellen van de leefomstandigheden en de welvaart van de bevolking, is een precieze inschatting van het belang ervan op de armoedesituatie een complexe aangelegenheid.

Op lange termijn is er een daling van het armoederisico bij personen van 65 jaar en ouder: van 21 % in 2004 tot 15 % in 2015, na een piek van 23 % in 2006. 'Twee factoren kunnen deze daling verklaren: de verhoging van de minimumpensioenen en de toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, waardoor ze hogere pensioenen ontvangen.' (Bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium, Armoede daalt bij senioren. Persbericht 11 juli 2016.)


In vergelijking met het gemiddelde van de Europese lidstaten en onze buurlanden hebben Belgische 65-plussers en gepensioneerden een relatief hoog armoederisico (zie Tabel 14b). Dit beeld moet aan de hand van bijkomende vaststellingen (zoals rekening houden met de eigendom van een huis) weliswaar genuanceerd worden.

Tabel 14b. Armoederisicopercentage in BelgiŽ, buurlanden en EU-28, EU-SILC 201
4-2015

 

BelgiŽ

Duitsland

Frankrijk

Nederland

EU-28

 

2014

2015

2014

2015

2014

2015

2014

2015

2014

2015

Totale bevolking

15,5

14,9

16,7

-

13,3

-

11,6

12,1 (p)

17,2

-

65 en +

16,1

15,2

16,3

-

8,6

-

5,9

5,7 (p)

13,8

-

gepensioneerden

12,9

12,4

16,7

-

7,5

-

7,4

6,3 (p)

12,7

-

(p) voorlopig cijfer
- gegevens ontbreken
bron: Eurostat, EU-SILC


Het meten van armoede bij ouderen kan, zoals ook bij de algemene bevolking, niet beperkt worden tot financiŽle armoede. Een te laag inkomen is slecht ťťn van de talrijke dimensies die armoede bij ouderen uitmaken. Armoede bij ouderen heeft te maken met de huidige levensomstandigheden maar tevens met de levensloop en is dus verbonden met verschillende factoren zoals het opleidingsniveau, het feit al dan niet gewerkt te hebben en de beroepscarriŤre die zowel het niveau van het pensioen als de mogelijkheid tot sparen bepaalt, het feit al dan niet eigenaar te zijn van zijn woning, een al dan niet slechte gezondheid, de kwaliteit van de sociale steun en het sociaal netwerk, de toegang tot hulp- en zorgdiensten,...

Een andere manier om een beeld te krijgen van de omvang van armoede, steunt op een vergelijking van materiŽle levensomstandigheden. In het kader van de EU2020 strategie, waarbij beoogd wordt om het aantal armen tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen, wordt materiŽle deprivatie in kaart gebracht aan de hand van een lijst van 9 items en indien huishoudens aangeven dat zij zich de aanschaf van minstens 4 items niet kunnen veroorloven om financiŽle redenen, worden zij als ernstig materieel gedepriveerden beschouwd. Tabel 14c geeft weer dat ouderen minder vaak dan de rest van de bevolking ervaren dat ze zich een item niet kunnen veroorloven.

Tabel 14c. Armoederisico op basis van ernstige materiŽle deprivatie(*) in BelgiŽ, naar leeftijdscategorie, EU-SILC 2
014-2015

 

Personen uit een huishouden met ernstige materiŽle deprivatie (%)

 

2014

2015

Totale bevolking

5,9

5,8 (p)

18-64 jaar

6,5

6,1 (p)

65 en +

2,4

2,4 (p)

(*) Men behoort tot de ernstig materieel gedepriveerde groep wanneer het huishouden waarin men woont niet in staat is om zich minstens vier van de volgende zaken te veroorloven: (1) tijdig betalingen uitvoeren, (2) ťťn week vakantie nemen, (3) om de twee dagen vlees/vis/kip eten, (4) onverwachte uitgaven doen, (5) een telefoon aanschaffen, (6) een kleurentelevisie aanschaffen, (7) een wasmachine aanschaffen, (8) een wagen aanschaffen en (9) de woning degelijk verwarmen. (bron: Algemene Directie Statistiek Ė Statistics Belgium, MateriŽle deprivatie in BelgiŽ. Persbericht 25 februari 2016.)
(p) voorlopig cijfer
bron: Eurostat, EU-SILC


Volgens de Europa 2020 doelstelling, zijn personen arm of sociaal uitgesloten wanneer hun inkomen onder de armoederisicodrempel ligt, ze in een gezin leven met ernstige materiŽle deprivatie en/of leven in een huishouden met een lage werkintensiteit. Het gaat dus om een gecombineerde indicator die verschillende dimensies van armoede meet. Tabel 14d laat zien dat de meeste 65-plussers sterk
er scoren op monetaire armoede, maar minder op materiŽle deprivatie, dit in tegenstelling tot de 18-64jarigen.

Tabel14d. Armoederisico op basis van inkomen, ernstige materiŽle deprivatie en Europese armoede-indicator (in % en in aantallen), naar leeftijdscategorie, BelgiŽ, EU-SILC 201
5

 

Personen met een risico op monetaire armoede

Personen uit een huishouden met  ernstige materiŽle deprivatie

Risico op armoede of sociale uitsluiting (Europese indicator)

 

%

aantal personen
 (x1000)

%

aantal personen
(x 1000)

%

aantal personen
(x 1000)

Totale bevolking

14,9

1.649

5,8 (p)

646 (p)

21,1

2.336

18-64 jaar

13,7

941

6,1 (p)

421 (p)

21,7

1.486

65 en +

15,2

288

2,4 (p)

45 (p)

16,2

308

bron: Eurostat, EU-SILC

Nog een andere wijze om een inschatting te maken van de omvang van armoede, berust op het subjectieve oordeel van de ondervraagde personen van de EU-SILC enquÍte op de vraag of ze de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Tabel 14e laat zien dat alleenstaande ouderen minder aan
geven dan alleenstaande jongeren dat ze het zeer moeilijk hebben om rond te komen. Het verschil naar leeftijd treedt vooral op bij de populatie met een armoederisico.  Oudere huishoudens met een armoederisico ervaren minder problemen om rond te komen dan gelijkaardige jongere huishoudens en dit ongeacht of ze nu samenwonen dan wel alleenstaand zijn.

Tabel 14e. Subjectieve armoedemaatstaf (*), BelgiŽ, EU-SILC 201
5

Huishoudtype

Totale bevolking

Bevolking die risico loopt op monetaire armoede
(onder de 60 % drempel)

Bevolking die geen risico loopt op monetaire armoede
(boven de 60
% drempel)

alleenstaande, jonger dan 65j

15,8 (p)

44,7

7,4

alleenstaande, 65 en +

5,3 (p)

10,8

4,3

koppel, beiden jonger dan 65j

5,0 (p)

33,6

2,4

koppel, min 1 is ouder of = 65j

1,8 (p)

5,9

1,3

(*) Percentage van de bevolking dat het zeer moeilijk vindt om de eindjes aan elkaar te knopen
(p) voorlopig cijfer
bron: Eurostat, EU-SILC

 

De problematiek van sociale bescherming voor huidige en toekomstige gepensioneerden komt aan bod in het tweejaarlijkse verslag 2012-2013 van het Steunpunt tot bestrijding van armoede. (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2013), Sociale bescherming en armoede).

Laatste aanpassing: 19/07/2016