S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

 

  Is er meer armoede in de stad dan op het platteland?

Armoede komt meer voor in stedelijke gebieden, maar niet exclusief daar. Ook op het platteland wijzen cijfers en praktijkervaringen op een reële problematiek.


Toelichting:

Het onderzoek 'Armoede in de stad en op het platteland' (dat op vraag van het Steunpunt werd uitgevoerd door de KU Leuven en de Université Libre de Bruxelles binnen het AGORA-onderzoeksprogramma van federaal Wetenschapsbeleid) bevestigt dat er een sterke armoedeproblematiek in de steden bestaat, maar ook – zoals signalen van het terrein aangeven - dat armoede duidelijk aanwezig is op het platteland. Opvallend is dat de huishoudens die behoren tot de groep van de 10 % armsten minder vertegenwoordigd zijn op het platteland, maar huishoudens die net iets minder arm zijn (de groep tussen de 15 en 20 % armsten) zijn dan weer sterk vertegenwoordigd op het platteland. Een aantal groepen lijken het ook moeilijker te hebben op het platteland (dan het Belgisch gemiddelde), bijvoorbeeld oudere personen, eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen.

 

In de atlas van buurten in moeilijkheden (Vandermotten Christian, Kesteloot Christian, Ippersiel Bertrand e.a. (2007), Dynamische analyse van de buurten in moeilijkheden in de Belgische stadsgewesten, ULB, KUL, ICEDD)  hebben wetenschappers 17 stadsgewesten gewogen om na te gaan welke wijken al dan niet als arm beschouwd kunnen worden. Hieruit blijkt dat ons land ongeveer 1.400 buurten met moeilijkheden telt. Hierin wonen ongeveer 1,7 miljoen mensen. 800.000 van deze inwoners leven gelukkig wel in wijken met lichte problemen. Brussel, Charleroi en Luik zijn de steden met het grootst aantal arme wijken. In Vlaanderen hebben Antwerpen en Gent de meeste problemen, maar lang niet van eenzelfde grootorde.
 

Tabel 14a: Aantal achtergestelde buurten en inwoners in deze buurten in 17 Belgische stadsgewesten

Stadsgewest Aantal achtergestelde buurten Bevolking in deze buurten
Brussel 295 503.549
Charleroi 274 257.906
Luik 267 280.959
Bergen 140 136.084
Antwerpen 76 156.361
La Louvière 102 96.891
Verviers 36 38.564
Namen 31 32.425
Gent 38 77.051
Doornik 28 25.135
Hasselt 15 26.278
Oostende 20 27.315
Kortrijk 11 9.638
Leuven 9 5.923
Sint-Niklaas 11 13.857
Mechelen 12 12.525
Brugge 4 2.536
Totaal 1.369 1.702.997

bron: Vandermotten Christian, Kesteloot Christian, Ippersiel Bertrand e.a. (2007), Dynamische analyse van de buurten in moeilijkheden in de Belgische stadsgewesten, ULB, KUL, ICEDD, p.20.



D
e terechte aandacht voor het stedelijk beleid mag echter de aandacht niet afleiden van de ontwikkelingen op het platteland: ook daar is armoede een realiteit, ook al is ze er soms minder zichtbaar. Het onderzoek 'Armoede in de stad en op het platteland' bevestigt dat de groep tussen de 15 en 20% armsten sterk vertegenwoordigd zijn op het platteland. Een aantal groepen lijken het ook moeilijker te hebben op het platteland (dan het Belgisch gemiddelde), bijvoorbeeld oudere personen, eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen.

Eén van de belangrijkste verschillen met de stedelijke context is de vaststelling dat sociale uitsluiting op het platteland meer verspreid voorkomt en daardoor moeilijker meetbaar wordt.
De "Atlas van achtergestelde buurten in Vlaanderen en Brussel" toont dit duidelijk aan (bron: Kesteloot Christian, Meys Sarah (2008), Atlas van achtergestelde buurten in Vlaanderen en Brussel). Alhoewel de meest achtergestelde buurten zich voornamelijk lokaliseren in Brussel, gevolgd door Antwerpen en Gent, telt ook het platteland heel wat achterstelling: nl. in West-Vlaanderen, het Meetjesland, de Vlaamse Ardennen, het Pajottenland, het Hageland, de Noorderkempen, Noord-Limburg, Zuid-Limburg en Voeren.

In 2012 bracht Cera informatie uit een onderzoek over plattelandsarmoede in Vlaanderen (2010) en in Wallonië (2011) samen in de Horizontenpublicatie die deze onzichtbare, onbekende en vaak onderschatte problematiek bespreekbaar maakt. Op het platteland is er sprake van vervoersarmoede (bovenop de uitsluiting op het gebied van inkomen, onderwijs, arbeid, wonen, gezondheid en participatie die ook bij stedelijke armoede voorkomen). Tijdens de studiedag (in april 2012) in Leuven werden mogelijke oplossingen bekeken. Deze hebben vooral te maken met outreach, proactief handelen, toegankelijkheid, laagdrempelige ontmoetingsplaatsen en alternatieve mobiliteit.

De problemen die zich voordoen in plattelandsgebieden zijn niet verschillend van die binnen een stedelijke context. Ook daar is er sprake van een toename van het aantal leefloontrekkers, komt de problematiek van schuldoverlast sterker naar voor… De specifieke context is echter verschillend. Omstandigheden, randvoorwaarden die ervoor zorgen dat plattelandsgebieden meer of in een andere vorm met bepaalde problemen worden geconfronteerd zijn:


a) Socio-demografische factoren:


De veroudering van de bevolking is opvallend. Enerzijds neemt het aandeel jongeren af en anderzijds neemt het aantal 65-plussers toe.

Specifiek zijn de problemen waarmee landbouwers geconfronteerd zorden. Onderzoek uit 1999 en 2001 toonde aan dat op het einde van de 20ste eeuw ongeveer een vierde van de Vlaamse beroepslandbouwers en hun gezinsleden moesten zien rond te komen met maximaal 10.000 per jaar, een bedrag dat nauwelijks het wettelijk bestaansminimum benadert (bron: Van Hecke E. en Marx A. (1999), Boeren in de knel. Armoede in land- en tuinbouw, Brussel: Koning Boudewijnstichting, Van Hecke E. (2001), Revenus et pauvreté dans l'agriculture wallonne, Fondation Roi Baudouin en Van Hecke E. (2001), Measuring poverty among farmers in Belgium, in: Belgeo, 1(3), p. 247-263).


b) Werkgelegenheid:

Belangrijk gegeven is de afwezigheid van tewerkstelling. Jongeren en actieven verlaten het platteland op zoek naar aangepast werk of zijn aangewezen op pendel naar tewerkstellingscentra. In plattelandsgebieden is het globale aanbod aan jobs beperkter. Dat betekent nog niet dat de werkloosheid er hoger is, wel dat pendel er belangrijker is. Als de last van het pendelen te groot wordt, wordt verhuizen het alternatief.


c) Wonen:

De kwaliteit van sommige woningen op het platteland is laag. Ook het aanbod sociale woningen is beperkter. Dat geldt ook voor woongelegenheden voor specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld aangepaste woningen voor bejaarden). Daarnaast is er een nieuwe migratiestroom. Wie het zich kan permitteren, zoekt het platteland op in de hoop daar rust, groen,… te vinden. Woningen worden opgekocht door “allochtonen”. Prijzen van grond en woningen stijgen. De "autochtone" bevolking moet vaak noodgedwongen vertrekken.
In plattelandsgebieden bestaat ook een marginaal wooncircuit op campings en in residentiële parken.


d) Formele dienstverlening:

Rationalisering (kostenbeheersing) en schaalvergroting (centralisatie) zorgen voor beperktere voorzieningen (zowel openbare zoals telefoon, post,… als private zoals vakbonden, mutualiteit,…). Wie vervoersafhankelijk is ondervindt hiervan de meest negatieve gevolgen: vrouwen zonder inkomen, jongeren, senioren, gehandicapten,… Vaak is de openbare sector (OCMW) de enig overgebleven eerstelijnsdienst. In plattelandsgebieden is de drempel echter hoog gezien de grote sociale druk.


e) Bestuurskracht:

Dit is het complexe samenspel tussen beleidscultuur, beleidsvisie, financiële middelen, personeel,… Financieel hebben veel plattelandsgebieden het moeilijk. De oorzaak hiervan is de lagere opbrengst van personenbelasting en onroerende voorheffing. De bevolking daalt of groeit niet aan, is minder kapitaalkrachtig en de waarde van de eigendommen is er lager dan bijvoorbeeld in centrumgemeenten. Er is ook minder industrie. De afwezigheid van concentratie (lage bevolkingsdichtheid) en de onaangepaste regelgeving voor specifieke gemeenten, hypothekeren het nemen van adequate acties op het terrein.


f) Mobiliteit:

Het openbaar vervoer is beperkt uitgebouwd. Van en naar regionale centrumsteden is het aanbod niet uitgebreid. Onderlinge verbindingen tussen de gemeenten ontbreken meestal helemaal. Dit betekent een extra drempel voor wie er afhankelijk van is.


g) Sociale netwerken:

Ook de mantelzorg (informele netwerken) is in evolutie. Families zijn minder gebonden aan dezelfde locaties en zwermen uit in de regio of daarbuiten. Gecombineerd met beperkte openbare vervoersmogelijkheden kan dit het isolement versterken. Ook de samenstelling van de bevolking verandert. Inwijkelingen nemen de plaats in van de traditioneel met het dorp verbonden families. Dat iedereen iedereen kent, gaat steeds minder op. Het creëert een spanningsveld tussen de oorspronkelijke bevolking en de nieuwkomers.


bron: Vandenbussche Johan (1998), Sociale uitsluiting in plattelandsgebieden, Brussel: Koning Boudewijnstichting

Laatste aanpassing: 24/04/13