S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

franÁais

Feiten en cijfers

 

Biedt tewerkstelling voldoende bescherming tegen armoede?

Laatste aanpassing : 17/08/2016.

Hoewel tewerkstelling vaak bescherming biedt tegen armoede, is dit niet altijd het geval. Volgens de EU-SILC 2015 enquÍte (inkomens 2014) zijn er 4,5 % arme werkenden in BelgiŽ, waaronder 3,1 % arme werknemers en 15,8 % arme zelfstandigen. Het cijfer voor de zelfstandigen dient echter met de nodige voorzichtigheid behandeld te worden.


Toelichting:

Het risico om in armoede verzeild te raken, is lager bij werkenden dan bij niet-werkenden. In vergelijking met de rest van de EU, scoort BelgiŽ vrij goed (4,8 % in BelgiŽ tegenover 9,6 % voor de EU-28 volgens de EU-SILC 2014 enquÍte).

Het armoederisicocijfer voor werkenden onderschat evenwel de niet-geregistreerde arbeid, waar sommige van de meest kwetsbaren een toevlucht toe zoeken om te overleven. Het zegt evenmin iets over het beschikbaar inkomen. En het geeft enkel een indicatie van de financiŽle armoede.

De laatste jaren blijft het armoederisicocijfer voor werkenden relatief stabiel. De toename van het aantal werknemers dat een bijkomend leefloon of aanvullende OCMW-hulp vraagt, duidt wel op een negatieve evolutie. Ook andere sociale diensten en verenigingen die strijden tegen armoede rapporteren een grotere kwetsbaarheid en armoede onder werknemers.

 

Tabel 6a: Armoederisicopercentage (<60 % van het mediaan netto-inkomen) bij personen op actieve leeftijd (18-64 jaar) naar meest frequente activiteitsstatus*, BelgiŽ, buurlanden en EU-28, SILC 2014-2015

  Allen Naar meest frequente activiteitsstatus
Werklozen Gepensioneerden Andere niet-actieven Andere 'niet werkenden'  (**) Werkenden
  SILC2014
(inkomen 2013)
SILC2015
(inkomen 2014)
SILC2014
(inkomen 2013)
SILC2015
(inkomen 2014)
SILC2014
(inkomen 2013)
SILC2015
(inkomen 2014)
SILC2014
(inkomen 2013)
SILC2015
(inkomen 2014)
SILC2014
(inkomen 2013)
SILC2015
(inkomen 2014)
SILC2014
(inkomen 2013)
SILC2015
(inkomen 2014)
BelgiŽ 14,1 13,6 43,2 40,4 6,7 7,1 31,9 31,5 30,6 29,3 4,8 4,5
Duitsland 17,3 : 67,7 : 22,4 : 28,9 : 36,9 : 9,9 :
Frankrijk 13,2 : 31,1 : 5,7 : 28,7 : 23,1 : 8,0 :
Nederland 12,5 12,9 (p) 36,7 36,8 (p) 20,4 11,9 (p) 27,8 28,9 (p) 29,2 29,7 (p) 5,3 5,6 (p)
EU-28 17,0 : 47,3 : 10,7 : 29,2 : 31,2 : 9,6 :

* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
** Niet werkend = werkloos, gepensioneerd of ander statuut niet-werkend
(p) : voorlopig cijfer
bron: Eurostat: EU-SILC
 

Tabel 6b: Evolutie van het armoederisico volgens activiteit, bevolking 18-64 jaar, BelgiŽ, SILC 2010-2015

 

SILC 2010
(inkomen 2009)

SILC 2011
(inkomen 2010)

SILC 2012
(inkomen 2011)

SILC 2013
(inkomen 2012)

SILC 2014
(inkomen 2013)

SILC 2015
(inkomen 2014)

werkend

4,4

4,1

4,5

4,4 (*)

4,8

4,5

niet werkend**

24,4

27,5

28,4

29,8 (*)

30,6

29,3

* onderbroken tijdreeks
*
* Niet werkend = werkloos, gepensioneerd of ander statuut niet-werkend
bron:
Eurostat: EU-SILC
 

In 2014 (EU-SILC 2015) waren er 3,1 % arme werknemers. Verschillende factoren zorgen ervoor dat men in armoede leeft terwijl men een loontrekkende job heeft. Ten eerste is het fenomeen van arme werknemers sterk verbonden met de onmogelijkheid om voldoende arbeidsinkomsten voort te brengen op huishoudniveau. Eenverdienersgezinnen en eenoudergezinnen lopen bijgevolg een aanzienlijk armoederisico. Ten tweede spelen individuele kenmerken een rol. Hier zijn het de jongere en laaggeschoolde werknemers die de hoogste scores optekenen. Ten derde zijn er de arbeidsvoorwaarden. De armoedecijfers bij personen met flexibele contract- en arbeidsduurregelingen liggen gevoelig hoger dan die van personen met klassieke arbeidscontracten. Tot slot verhoogt de niet-betaalbaarheid en niet-beschikbaarheid van welvaarts- en basisvoorzieningen (onderwijs, huisvesting, kinderopvang, mobiliteit, gezondheidszorg Ö) de kans op armoede onder werkenden.

Het aantal arme zelfstandigen, bedroeg in 201
4 (EU-SILC 2015) 15,8 %. Om verschillende redenen dienen de inkomensgegevens voor zelfstandigen in de SILC-enquÍte vooralsnog met de nodige voorzichtigheid behandeld te worden. Peilen naar de netto-inkomsten van zelfstandigen in het jaar voor het moment van de bevraging is bijvoorbeeld niet evident, omdat zelfstandigen op dat moment vaak die rekening nog niet kunnen maken. Een andere reden is dat het kleine aantal zelfstandigen in de EU-SILC steekproef de betrouwbaarheid belemmert. Het cijfer van 15,8 % laat vermoeden dat de armoede onder zelfstandigen heel wat hoger is dan die onder werknemers. De ernstige materiŽle deprivatie toont echter een tegengesteld beeld: het cijfer van werkende zelfstandigen (1,4 %) ligt lager dan dat van werknemers (2,2 %) volgens EU-SILC 2015.

De problematiek van
armoede onder werkenden komt aan bod in het tweejaarlijkse verslag 2012-2013 van het Steunpunt tot bestrijding van armoede. (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2013), Sociale bescherming en armoede, p. 31-38).

Tabel 6c: Evolutie van het armoederisico onder werkenden volgens kenmerken van tewerkstelling, BelgiŽ, SILC 2010-2015

 

SILC 2010
(inkomen 2009)
SILC 2011
(inkomen 2010)
SILC 2012
(inkomen 2011)
SILC 2013
(inkomen 2012)
SILC 2014
(inkomen 2013)
SILC 2015
(inkomen 2014)
Allen 4,4 4,1 4,5 4,4 4,8 4,5
Statuut
werknemer 3,1 3,2 3,3 3,3 3,5 3,1

zelfstandige

15,7 12,7 15,2 13,9 15,4 15,8
Arbeidsduur
voltijds 3,9 3,1 3,4 3,5 3,9 3,7
deeltijds 5,8 6,4 6,4 5,9 6,2 6,4

Aantal gewerkte maanden

volledig jaar 4,0 3,8 4,2 4,1 4,2 4,2
minder dan een voleldig jaar 11,2 7,9 8,0 9,5 13,7 10,3
Enkel werknemers
Type contract
onbepaalde duur 2,4 2,5 2,7 2,7 2,5 2,6
bepaalde duur 12,2 10,1 11,1 10,0 14,9 10,4

bron: Eurostat: EU-SILC

 

Tabel 6d: Evolutie van het armoederisico onder werkenden volgens persoons- en huishoudkenmerken, BelgiŽ, SILC 2010-2015

 

SILC 2010
(inkomen 2009)
SILC 2011
(inkomen 2010)
SILC 2012
(inkomen 2011)
SILC 2013
(inkomen 2012)
SILC 2014
(inkomen 2013)
SILC 2015
(inkomen 2014)
Allen
4,4 4,1 4,5 4,4 4,8 4,5
Geslacht
man 4,8 4,3 4,5 4,5 4,5 4,3

vrouw

4,1 4,0 4,4 4,2 5,1 4,7
Leeftijdscategorie
<25 4,5 6,6 3,5 2,7 6,9 6,6
25-<45 4,5 4,1 4,5 4,5 5,0 4,3
45+ 4,2 3,6 4,7 4,4 2,6 5,0
Opleidingsniveau*
laag 8,5 8,6 10,1 10,1 9,6 9,2
gemiddeld 5,0 4,8 4,2 4,7 6,1 5,8
hoog 2,4 2,1 2,9 2,5 2,5 2,6
Huishoudtype
1persoonshuishouden 4,1 6,4 4,9 6,6 5,4 6,6
eenoudergezin 12,5 12,1 14,7 13,6 20,4 14,0
2 of meer volwass. zonder afh. kinderen 3,2 2,9 2,9 2,6 2,8 2,3
2 of meer volwass. met afh. kinderen 4,9 3,7 4,7 4,3 4,8 4,7
alle huishoudens zonder afh. kinderen 3,5 4,0 3,6 3,8 3,6 3,6
alle huishoudens
met afh. kinderen
5,4 4,4 5,4 5,0 6,0 5,4

* laag=Isced11 0-2; gemiddeld=Isced11 3-4; hoog=Isced11 5-8
bron: Eurostat: EU-SILC


Laatste aanpassing:
17/08/2016