S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

 

Welke omvang heeft armoede bij zelfstandigen in België?

Laatste aanpassing : 19/06/2017

Eenduidig cijfermateriaal over armoede onder zelfstandigen ontbreekt. Naargelang de gehanteerde definities en methodologiën, verkrijgt men een ander cijfer
.
Volgens de EU-SILC 2016 enquête (inkomen 2015) behoort 15,3 % van de huishoudens met een zelfstandige in hoofdberoep tot de groep met een armoederisico op basis van het inkomen.
 

Toelichting:

De zelfstandigen bestaan uit beroepscategorieën die erg divers van aard zijn. Hun inkomen is moeilijk in kaart te brengen en kan van jaar tot jaar sterk schommelen. Bovendien is er tot nog toe weinig onderzoek verricht over armoede onder zelfstandigen. Bijgevolg is het moeilijker om de weinige cijfers over armoede onder zelfstandigen correct te interpreteren.

De huishoudelijke context, en dus de mate waarin andere gezinsleden inkomsten genereren, verzwakt of versterkt het risico op armoede bij zelfstandigen met lage bedrijfsinkomens. Zelfstandige huishoudens met slechts één arbeidsinkomen zijn erg kwetsbaar, net als oudere zelfstandigen (van 55 tot 64 jaar), alleenstaanden, eenoudergezinnen, koppels met één kind en – opmerkelijk – ook midden- en hogergeschoolden. Er is evenwel geen onderzoek beschikbaar over de impact van bijvoorbeeld de toegang tot welzijnsvoorzieningen. We kunnen er echter van uitgaan dat de aanwezigheid en toegankelijkheid van deze voorzieningen eveneens belangrijk zijn voor hun bestaanszekerheid.

Het armoederisico onder zelfstandigen kan geschat worden op basis van de EU-SILC enquête. Een andere methode om hun monetaire armoede te kennen, bestaat erin te vertrekken van de aangegeven inkomens bij het RSVZ. Het fenomeen van de armoede onder zelfstandigen kan ook benaderd worden op basis van gegevens van de Generations and Gender Project Survey. Het aantal zelfstandigen dat een vrijstelling vraagt om hun sociale zekerheidsbijdrage te betalen, levert een ander beeld op van hun financiële moeilijkheden. Het aantal zelfstandigen dat beroep doet op welzijnsvoorzieningen kan ook een indicatie zijn van bestaansonzekerheid bij zelfstandigen.
Een korte toelichting omtrent de schatting van armoede onder zelfstandigen op basis van de verschillende indicatoren volgt hieronder:

bullet

schatting op basis van de EU-SILC enquête

bullet

schatting op basis van RSVZ gegevens

bullet

schatting op basis de Generations and Gender Project enquête

bullet

schatting op basis van aanvragen tot vrijstelling van sociale bijdragen

bullet

schatting op basis van aanvragen voor begeleiding en hulpverlening
 


Armoederisico op basis van de EU-SILC enquête

Volgens de EU-SILC 2016 gegevens (inkomen van 2015) bedraagt het aantal huishoudens met een zelfstandige in hoofdberoep onder de armoedegrens 15,3 %
Dit cijfer dient met de nodige voorzichtigheid behandeld te worden. Peilen naar de netto-inkomsten van zelfstandigen in het jaar voor het moment van de bevraging is niet evident, omdat zelfstandigen op dat moment vaak die rekening nog niet kunnen maken.
Ten tweede laat dit cijfer vermoeden dat de armoede onder zelfstandigen heel wat hoger is dan onder werknemers (armoederisico van 3,4 %) (Tabel 20a). De indicator 'ernstige materiële deprivatie' toont echter een ander beeld: het cijfer voor de zelfstandigen (2,1 %) is nagenoeg gelijk aan dit voor de werknemers (2,2 %) (Tabel 20b).

Tabel 20a: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar meest frequente activiteitsstatus, 18 jaar en ouder, België, EU-SILC 2010-2016

 

SILC 2010
(inkomen 2009)

SILC 2011
(inkomen 2010)

SILC 2012
(inkomen 2011)

SILC 2013
(inkomen 2012)

SILC 2014
(inkomen 2013)

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

zelfstandigen

16,0

12,7

14,9

14,0*

15,5

15,9

15,3

werknemers

3,1

3,2

3,3

3,3*

3,6

3,2

3,4

werklozen

30,4

37,9

34,8

46,2*

42,9

40,7

45,9

gepensioneerden

16,1

17,3

16,7

15,1*

12,9

12,4

13,3

andere inactieven**

25,8

27,3

29,5

30,7*

32,0

31,5

33,3

* onderbreking reeks
** 'andere inactieven': personen die noch tewerkgesteld zijn, noch werkloos, noch gepensioneerd.
bron: Eurostat, EU-SILC

info: Armoederisico en Glossarium EU-SILC


Tabel 20b: Armoederisico op basis van ernstige materiële deprivatie (*), 18 jaar en ouder, België, EU-SILC 2010-2016

 

SILC 2010
(inkomen 2009)

SILC 2011
(inkomen 2010)

SILC 2012
(inkomen 2011)

SILC 2013
(inkomen 2012)

SILC 2014
(inkomen 2013)

SILC 2015
(inkomen 2014)

SILC 2016
(inkomen 2015)

zelfstandigen

1,6

2,2

1,6

1,2**

1,4

1,3

2,1

werknemers

2,4

2,5

2,7

2,2**

2,4

2,2

2,2

werklozen

16,1

15,6

15,6

23,2**

20,7

22,8

20,1

gepensioneerden

3,0

2,7

2,6

2,2**

2,5

1,9

2,1

andere inactieven

11,0

9,5

13,2

10,8**

13,0

11,6

12,0

*Mensen met 'ernstige materiële deprivatie' worden geconfronteerd met minstens 4 van de 9 volgende elementen: 1)niet in staat zijn om huur, rekeningen van nutsvoorzieningen of aflossingen van leningen (andere dan voor de woning) te betalen, 2)hun woning degelijk te verwarmen, 3)onverwachte uitgaven te doen, 4)om de twee dagen vlees, vis of een proteïnerijk alternatief te eten, 5)een week vakantie per jaar te nemen buiten hun huis, 6)zich een eigen wagen, 7)wasmachine, 8)kleurentelevisie of 9)telefoon aan te schaffen. (bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, SILC 2009: dossier materiële deprivatie, 19/10/2011, p.1)
** onderbreking reeks
bron: Eurostat, EU-SILC

 

 Armoederisico op basis van RSVZ gegevens

Een andere methode om de monetaire armoede onder zelfstandigen te kennen, bestaat erin te vertrekken van de aangegeven inkomens van de zelfstandigen in hoofdberoep bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen bij Zelfstandigen (RSVZ). Vervolgens worden deze inkomens vergeleken met het armoederisico voor een alleenstaande. Volgens deze berekeningswijze, schatten Lambrecht en Broekaert dat in 2006 33% van de zelfstandigen onder de armoedegrens vallen. Zij geven zelf aan dat dit beeld te pessimistisch is omdat er geen rekening wordt gehouden met bijkomende individuele belastingvoordelen. Een belangrijker reden voor deze overschatting is volgens Van Rossem, Foubert en Van Caillie het feit dat men alleen kijkt naar het individuele inkomen van de zelfstandige en niet naar het inkomen dat andere leden van het huishouden verwerven. Ook wordt er geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de zelfstandige nog andere bronnen van inkomen heeft (uit een bijberoep, investeringen, pensioen en/of alimentatie). (Van Rossum Ronan, Foubert Josephine en Van Caillie Didier, Armoede onder zelfstandigen: een schets. In: Pannecoucke Isabelle, Lahaye Willy, Vranken Jan en Van Rossum Ronan (eds.) (2014), Armoede in België - Jaarboek 2014, Gent: Academia Press, p. 73)
Om een preciezer beeld te krijgen van armoede onder zelfstandigen, gaan Lambrecht en Broekaert daarom na hoelang zelfstandigen onder de armoedegrens blijven. Het inkomen van zelfstandigen kan immers sterk schommelen van jaar tot jaar. Van diegenen die in 2006 minstens zeven opeenvolgende jaren een inkomen hadden uit een zelfstandige hoofdactiviteit, bevond 15% zich minstens zes jaar onder de armoedegrens.  Dat is ruim 40.000 zelfstandigen in België.
bron: Lambrecht Johan en Broekaert Wouter (2011), Armoede bij zelfstandigen. Een kwantitatief en kwalitatief beeld, Brussel: Studiecentrum voor Ondernemerschap, Hogeschool-Universiteit Brussel.

Volgens berekeningen van het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen (NSZ) op basis van de inkomste
n (jaar 2015) waarop zelfstandigen sociale bijdragen moeten betalen, moet bijna één op zes zelfstandigen in hoofdberoep (15,8 %) rondkomen met minder dan 12.500 euro per jaar, minder dan de Europese armoededrempel voor een alleenstaande (NSZ, Economische crisis ligt achter ons, maar armoede bij zelfstandigen blijft erg hoog, 14/8/2016).

 

 Armoederisico op basis van de Generations and Gender Project enquête

Volgens berekeningen op basis van de 'Generations and Gender Project Survey-Belgium' afgenomen tussen 2008 en 2010, leeft ongeveer 12,7% van de huishoudens met een zelfstandige in hoofdberoep onder de armoedegrens, of ongeveer één op acht. Het armoederisico bij huishoudens met een zelfstandige verschilt niet significant van dit bij huishoudens met een andere actieve: ongeveer 12,7% tegenover ongeveer 10,3%. De materiële deprivatie bij huishoudens met een zelfstandige ligt beduidend lager dan bij huishoudens met een andere actieve: 8,5% tegenover 13,9%. De relatie tussen armoederisico en materiële deprivatie ligt hier duidelijk anders dan bij andere groepen. De onderzoekers pleiten daarom voor een andere en misschien meer gedifferentieerde aanpak van het meten van armoede.
De gegevens in deze studie dateren van het begin van de economische crisis. Vermits het inkomen van zelfstandigen veel gevoeliger is aan economische fluctuaties, vermoeden de auteurs dan ook dat de economische crisis een grotere impact kan hebben bij zelfstandigen dan bij andere groepen.
bron: Van Rossum Ronan, Foubert Josephine en Van Caillie Didier, Armoede onder zelfstandigen: een schets. In: Pannecoucke Isabelle, Lahaye Willy, Vranken Jan en Van Rossum Ronan (eds.) (2014), Armoede in België - Jaarboek 2014, Gent: Academia Press, p. 71-89.

 

Aanvragen tot vrijstelling van sociale bijdragen

Zelfstandigen in een 'staat van behoefte' of een 'toestand die de staat van behoefte' benadert, kunnen door de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen volledig of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de verplichting tot betaling van socialezekerheidsbijdragen. Het aantal zelfstandigen dat een vrijstelling vraagt en verkrijgt om hun sociale zekerheidsbijdrage te betalen, levert een ander beeld op van hun financiële moeilijkheden.
Ongeveer 4 % van de zelfstandigen hebben in 2014 een vrijstellingsaanvraag ingediend. Het gaat om 27.050 aanvragen, 15 % minder dan in 2013.  (FOD Sociale Zekerheid, Jaarverslag 2014, 2015)
 

Tabel 20c: Evolutie van het aantal vrijstellingsaanvragen tussen 2004 en 2014 (absolute cijfers)

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

aantal aanvragen

17.864

18.925

18.543

19.693

22.128

27.565

30.423

26.776

26.844

32.013

27.050

bron: FOD Sociale Zekerheid, Jaarverslag 2014, 2015

 

Aanvragen voor begeleiding en hulpverlening

Het aantal zelfstandigen dat beroep doet op welzijnsvoorzieningen kan ook een indicatie zijn van bestaansonzekerheid bij zelfstandigen.
De koepelorganisatie van de Vlaamse gemeentebesturen en OCMW's, VVSG, stelt vast dat meer zelfstandigen de laatste jaren aankloppen bij de OCMW's (OCMW's helpen ook zelfstandigen in moeilijkheden).
Dyzo, een organisatie die hulpverlening biedt aan zelfstandigen in moeilijkheden, krijgt 2.565 hulpvragen in 2016. OCMW's blijven de grootste doorverwijzer (34 %) (Jaarverslag Dyzo vzw 2016). Dyzo schat evenwel dat per aangemelde ondernemer er minstens tien de stap naar dienstverlening nog niet durven of willen zetten ('Feiten over zelfstandigen in armoede').
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onthaalt het Centrum voor Ondernemingen in moeilijkheden (COm) jaarlijks nagenoeg 2.000 ondernemers. In Wallonië heeft de Waalse regering in 2013 het Centre pour Entreprises en difficulté (CEd-W) opgericht.

De problematiek van armoede onder zelfstandigen komt aan bod in het tweejaarlijkse Verslag 2012-2013 van het Steunpunt tot bestrijding van armoede. (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2013), Sociale bescherming en armoede).

Laatste aanpassing: 20/06/17