Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Europees Hof voor de Rechten van de Mens 14 maart 2017, nr. 66610/10, Yevgeniy Zakharov/ Rusland

Feiten

Na de scheiding met zijn ex-vrouw in 1999, trekt meneer Zakharov in bij zijn nieuwe partner, mevrouw B. Ze leven de volgende tien jaar samen in één van drie kamers van een gemeenschappelijk appartement. Meneer Zakharov en mevrouw B blijven ongehuwd en hij laat zich niet registreren op haar adres. Wanneer mevrouw B. sterft in 2009, sluiten de andere inwoners van het appartement meneer Zakharov buiten. Vervolgens delen de autoriteiten hem mee dat hij de kamer moet verlaten omdat hij geen recht heeft om er te wonen.

Meneer Zakharov claimt dat hij moet beschouwd worden als een familielid van zijn overleden partner, wat hem wel het recht geeft om haar kamer te bewonen. Bovendien beschikt hij niet over een andere woning. Zo stond hij de laatste tien jaar ingeschreven op de woning van zijn ex-vrouw, maar dit is intussen haar eigendom geworden, en zij leeft daar met haar nieuwe gezin. Bijgevolg moet meneer Zakharov noodgedwongen leven in de school waar hij als nachtwaker werkt.

Meneer Zakharov meent dat zijn recht op respect voor zijn woning geschonden is onder art. 8 EVRM (recht op respect voor privé- en familieleven).
 

Beslissing

Het Hof stelt een schending vast van art. 8 EVRM. De Staat dient meneer Zakharov 5000 euro te betalen voor niet-geldelijke schade.
 

Motivering

De eerste vraag die het Hof behandelt is of de kamer in kwestie kan beschouwd worden als een ‘woning’ in de zin van art. 8 EVRM. Het concept van een ‘woning’ is niet beperkt tot een huis dat wettelijk wordt bewoond of dat wettelijk tot stand is gekomen. Het is een autonoom concept dat niet afhankelijk is van enige binnenlandse classificatie. Of er sprake is van een ‘woning’ onder art. 8 EVRM hangt af van de feitelijke omstandigheden, met name of er voldoende en aanhoudende banden zijn met een specifieke plaats.

Het enkele feit dat meneer Zakharov nog steeds geregistreerd staat op het adres van zijn vorige vrouw, is voor het Hof niet voldoende om te besluiten dat daar zijn ‘woning’ is. Anderzijds meent het Hof dat meneer Zakharov na 10 jaar wel een voldoende aanhoudende band heeft ontwikkeld met de kamer van mevrouw B. Dus is er volgens het Hof in dit geval wel sprake van een ‘woning’ onder art. 8 EVRM. Bijgevolg is er voor het Hof een inmenging met het recht op respect voor de woning van meneer Zakharov.

Beperkingen zijn mogelijk op art. 8 EVRM, maar dan moeten ze wel (i) een wettelijke basis hebben, (ii) een legitiem doel nastreven en (iii) noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Hier rijst een probleem met de derde voorwaarde. De rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep focust haast uitsluitend op het feit dat meneer Zakharov nog geregistreerd staat op het adres van zijn vorige vrouw. Daardoor maakt de rechtbank geen afweging van de belangen van meneer Zakharov tegenover de belangen van de twee andere inwoners van het appartement. Bijgevolg wordt dan ook geen balans gevonden tussen deze conflicterende belangen.
Het Hof besluit dat de inmenging niet noodzakelijk is in een democratische maatschappij.
 

Betekenis in ruimere context

Het is al lang vaste rechtspraak van het Hof dat de classificatie van een ‘woning’ onder art. 8 EVRM afhangt van de feitelijke omstandigheden, en met name van voldoende en aanhoudende banden met eens specifieke plaats. Het concept is niet afhankelijk van de classificatie onder nationale wetgeving.*

Ook heeft het hof al in eerdere rechtspraak de principes vastgelegd over de noodzakelijkheid van een beperking op het recht op respect voor de woning. Een inmenging zal noodzakelijk zijn wanneer er een urgente sociale noodzaak is en als de inmenging proportioneel is ten aanzien van het legitieme doel. Wanneer iemand het risico loopt op zo’n inmenging, moet die in principe de mogelijkheid hebben om de proportionaliteit te laten beoordelen door een onafhankelijke rechtbank. Daar moet dan geoordeeld worden in het licht van de relevante principes onder art. 8 EVRM, ondanks het feit dat het recht op een woning onder het nationale recht ten einde is.*
 

Integrale tekst van de beslissing

Referenties
* EHRM 13 mei 2008, nr. 19009/04, McCann/Verenigd Koninkrijk, §46 ; EHRM 18 november 2004, nr. 58255/00, Prokopovich/Rusland, §36 ; EHRM 25 september 1996, nr. 20348/92, Buckley/Verenigd Koninkrijk, §§ 53 - 54; EHRM 24 november 1986, nr. 9063/80, Gillow/Verenigd Koninkrijk, § 46; ECRM 8 februari 1978, nr. 7456/76, Wiggins/Verenigd Koninkrijk, p. 40.

* EHRM 13 mei 2008, nr. 19009/04, McCann/Verenigd Koninkrijk, §50; EHRM 27 mei 2004, nr. 66746/01, Connors/Verenigd Koninkrijk, §§ 81-84.

Trefwoorden
Uithuiszetting; Art. 8 EVRM (recht op respect voor privé- en familieleven); Woning