Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

Samengevat op 04/12/2019

Feiten

De federale wetgeving rond pleegzorg wordt gewijzigd1. De wetgever wenst daarmee een statuut voor pleegzorgers in het leven te roepen om de rechtszekerheid te waarborgen van de relaties tussen het pleegkind, zijn ouders of voogd en de pleegzorgers. Bovendien wil de wetgever een einde maken aan de onduidelijkheid over de rechten en plichten van pleegouders en aan hun gebrek aan inspraakmogelijkheid.

 

De volgende wijzigingen zijn relevant:

 

 

 

De verzoekende partijen vragen de vernietiging van de nieuwe wet, of ten minste de gedeeltelijke vernietiging van artikelen 8 en 9 alsook de volledige vernietiging van artikel 10 van de wet.

 

De verzoekende partijen bestaan uit verschillende personen en organisaties. RM en IH zijn de ouders van een minderjarig kind dat bij een vertrouwenspersoon is geplaatst. Bijgevolg is hun situatie onderworpen aan de Belgische wetgeving inzake plaatsing en met name aan de nieuwe wet. Daarnaast treedt de vzw “D.E.I. Belgique” op als hoofdverzoeker. Bepaalde verenigingen en netwerken van verenigingen waarin personen die in armoede leven samenkomen, zijn vrijwillig tussengekomen in deze zaak. Ook de Vlaamse en de Franse Gemeenschapsregering zijn vrijwillig tussengekomen voor wat betreft een bevoegdheidskwestie.

 

Volgens de verzoekende partijen schendt de wet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, gelezen in combinatie met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Ze zijn bovendien van oordeel dat de formulering “indien de overeenkomst in strijd is met het belang van het kind” (art. 8 & 9) veronderstelt dat de rechtbank enkel dit belang in aanmerking moet nemen, ten nadele van het belang van de ouders of van de openbare orde. Daar dient nochtans wel altijd rekening mee gehouden te worden volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens2. Ze zijn eveneens van oordeel dat artikel 10 van de wet, dat een inbreuk vormt op hun recht op eerbiediging van het gezinsleven, niet in verhouding staat tot het legitieme doel dat het nastreeft en dat deze bepaling dezelfde gevolgen heeft als een ontzetting uit de ouderlijke macht.

 

Beslissing

Het Hof vernietigt artikel 10 van de wet en verwerpt voor het overige het beroep. De andere artikelen van de nieuwe wet blijven van kracht.

 

Motivatie

In een eerste middel zijn de regeringen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap van oordeel dat de wet de bevoegdheden van de gemeenschappen op het vlak van plaatsing van kinderen niet respecteert, maar het Hof is van oordeel dat de federale wetgever geen inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden van de gemeenschappen.

 

Wat betreft artikelen 8 en 9 van de wet (tweede middel, eerste deel)

Het Hof herinnert eraan dat een plaatsing alleen mag worden opgevat als een uitzonderlijke, tijdelijke maatregel. Het is dus belangrijk om het contact met de ouders in stand te houden gedurende de periode dat het kind in de pleegzorg verblijft. Het Hof nuanceert dit wel met een verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daaruit blijkt dat de verplichting om ouders en kind zo snel mogelijk te herenigen niet absoluut is. Er moet bovendien naar een evenwicht worden gezocht wanneer de belangen van de ouders en het kind niet samenvallen.

 

De overeenkomst over de uitoefening van het recht op persoonlijk contact heeft net tot doel om “tijdens de periode van pleegzorg, het behoud van de band tussen het kind en zijn ouders of zijn voogd te waarborgen”. In dat verband is het belangrijk dat de overeenkomst wordt gesloten met tussenkomst van de bevoegde organen voor pleegzorg. Deze moeten namelijk oog hebben voor het evenwicht tussen de verschillende belangen, en dus ook voor het belang van de ouders of van de voogd.

 

Het Hof maakt vervolgens duidelijk wat wordt verstaan onder “het belang van het kind” waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de homologatie van die overeenkomst. Het bestaat erin, in de mate van het mogelijke, het daadwerkelijke karakter van de band tussen het kind en zijn ouders of voogd te behouden.  Daarbij dient rekening te worden gehouden dat het hoger belang van het kind kan primeren op dat van de ouders, naargelang de aard en de ernst ervan. Volgens het Hof is dit deel van het middel derhalve ongegrond.

 

Wat betreft artikel 10 van de wet (tweede middel, tweede deel)

Het Hof maakt in de eerste plaats een onderscheid tussen de in artikel 9 beoogde overeenkomst en het verzoek om delegatie dat het voorwerp vormt van artikel 10. Het gaat hier om fundamenteel verschillende bepalingen. Artikel 10 wordt namelijk toegepast bij afwezigheid van een overeenkomst tussen de ouders en de pleegzorgers. Het geeft de rechter de mogelijkheid om de ouders, tegen hun zin en zonder dat er sprake is van dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid te ontnemen om bepaalde, en zelfs alle belangrijke beslissingen voor het leven van hun kind te nemen.

 

Het gaat hier met andere woorden om een zeer aanzienlijke inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de betrokken ouders en kind. Een dergelijke inmenging kan gerechtvaardigd zijn in het licht van de bepalingen van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Maar dan moet de inmenging noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en evenredig met het nagestreefde doel.

 

Het is in het belang van het geplaatste kind dat zijn oorspronkelijke ouders zo veel mogelijk betrokken blijven bij de belangrijke beslissingen met betrekking tot zijn opvoeding, opdat het kind en zijn gezin, zodra mogelijk, herenigd zijn. In dat opzicht is artikel 10 niet beperkt tot bijzondere omstandigheden met betrekking tot de aard of de ernst ervan.

 

Artikel 10 betreft noch dagdagelijkse beslissingen, noch spoedeisende beslissingen. Het artikel maakt de delegatie mogelijk van de bevoegdheid om belangrijke beslissingen te nemen in een reeks domeinen, en niet de delegatie met betrekking tot een specifieke of gerichte beslissing. Daaruit volgt dat het artikel op veel te ruime wijze is geformuleerd. Het wordt niet omringd door voldoende waarborgen en het doet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de ouders en van het geplaatste kind.

 

Betekenis in ruimere context

Dit arrest van het Grondwettelijk Hof sluit aan bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wat betreft het recht op eerbiediging van het gezinsleven voor de ouders en het geplaatste kind. Beide instanties hanteren in hun uitspraak de beoordeling van de evenredigheid met het nagestreefde doel en de balans tussen de betrokken belangen, waarbij het belang van het kind evenwel primeert.

 

Het arrest brengt eveneens enkele essentiële principes van het probleem met plaatsing van kinderen in herinnering; zoals het feit dat de plaatsing in uitzonderlijke situaties moet gebeuren, een aanvulling is op andere vormen van hulp en beperkt moet zijn in de tijd, waarbij het uiteindelijke doel erin bestaat het gezin te herenigen.

 

Verder benadrukt het arrest dat het behouden van de band tussen de ouders en het geplaatste kind deel uitmaakt van het belang van het kind, een belang dat moet primeren op dat van de ouders bij de beoordeling van de maatregelen op het vlak van pleegzorg, in functie van de specifieke omstandigheden, alsook de aard en de ernst ervan.

 

Integrale tekst van de beslissing

 

Referenties

1 Wet van 19 maart 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek tot invoering van een statuut voor pleegzorgers.

2 Eur. Hof R.M. 22 juni 2017, nr. 37931/15, Barnea en Caldararu v. Italië.

 

Trefwoorden

Eerbiediging van het gezinsleven; Plaatsing van kinderen; Hoger belang van het kind; Behoud van de band tussen ouders en kind